Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 135 )

prachtig Hof te leeven, de vermaaken des Hofs bij te wooHen, zijn dingen, die op zich zeiven niemand van Gods gemeenfchap uitfluiten. Maar het Egyptisch Hof bevlekte het geweten der genen, die den Allerhoogden alleen wilden eeren, wijl het ten minden zekere uitwendige plegtigheden begeerde, welke voor tekenen van eerbied voor de Goden gehouden werden; en de vermaaken van het Hof, zelfs de onfcbuldige, die geene grove zonden voorfchreven, voegden nogthands een' knecht des waaren Gods niet. Men weet, dat alle vermaaken der Oosterfche Koningen, ineen zeker opzigt, deelen van hunnen Godsdienst waren; alles, wat in dezelve gefebiedde, ftrekte tot eer van een' zekeren Afgod, die het opzigt over die oefeningen hadt, welke men in dezelve liet blijken. Men vischte : en aanftonds vertoonde zich de God der riviere, waar in men vischte, en eisch,te zijne fchatting. Menging opdejagt: endejagt hadt onder de Goden haaren eigen voorftander, dien de jaagers begroeten en eeren moesten. Hoe men zich mogt vermaaken; men moest aan 't Bijgeloof en de Afgoderij, in zeker opzigt, fchatting betaalen. Des waren de vermaaken van het Hof, aan Welk moses was opgevoed, gelijk de Apostel zegt, genietingen der zonde, (f) Geenen waren niets dan zonden; anderen waren zoo zuiver en onberispelijk, dat men 'erzich, zonder alle zonden, aan kon overgeven. Zodra nu moses tot die rijpheid van oordeel gekomen was, dat hij zulks weten konde , nam hij 't befluit, zich zelv' van 't genot dezer onreine wellusten geheel te berooven, en de ongemakken, welken Gods volkan Egypte droeg, liever vrijwillig te ondergaan , dan zich met zulke vermaaken te verzadigen, die het° geweten bevlekten. Hij verkoos liever met Cods volk kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genie' tinge der zonde te hebben. Hoe lang zoude een gemeene Geest niet beraadflaagt — hoe lang zoude hij niet met de verlichte genade geftreden — hoe veele uitvlugten en ontfchuldigingen zoude hij niet verzonnen hebben, voor dat hij 't

Hof en deszelfs vermaaken volkomen hadt verlaten ? ■

„ Kan ik niet, zoude zo een geredend hebben , indien ik „ een Prins van den bloede blijf en de zeden des Hofs volg, „ den Heere en deszelfs volk veel meer dienden doen, dan „ wanneer ik mijne waardigheid nederlegge en het Hof ver„ laatc ? Kan ik niet in mijnen daat van^eere de vervolgin„ gen, die mijne broeders drukken, zoo niet geheel afweeren,

„ nog-

CO Vs. 25.

Sluiten