Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 136 )

„ nogtbands merkelijk >:verligten ? Kan ik niet mogelijk.; „ voor den Heere een heimelijke gemeente onder de me-,, nigte van Hovelingen oprigten? Is 't goede , dat ik aam „ het Hot'kan doen, niet veel grooter dan het kwaad,, „ dat ik aan het zelve niet ontgaan kan'? Kan ik mijn hartt „ niet, midden in de ongeregeldheid, zuiver bewaaren?? „ Zal mij de Heere daarom haaten, om dat ik mij het t „ goede oogmerk, om Hem en zijn volk met des te meer r „ nadruk te dienen, voorltelle, en voor een' korten tijd 1 „ den fchijn van een' afgodendienaar aanneme ? Kan ik : ,, mij niet nu eens onder dit, dan weer onder een an-f „ der voorwendfel, van die foorten van vermaak ontflaan,^ ,, welke geheel ftrafbaar en verboden zijn? Kan ik bij del „ overige, zo kwaad niet zijnde, niet met het lichaam te ,, genwoordig, maar met den geest afwezend zijn? Kan ik : niet, de Goden fchijnende te eeren, mijne gedachten op.> „ den hoogden God vestigen, en Hem de tekenen van eer„ bied wijé'n, dien ik den Goden fchijn tefchenken? Wie; ,, belet mij in mijne ziel met die Goden te fpotten, dien > „ ik met den mond aanroepe , en aan mijne woorden en.; „ bewegingen in mijn verftand eene ougewoone betekenis'! ,, te hechten?" — moses verbreekt door het geloof alle f deze banden, waar mede de begeerten de zulken die bunne liefde tot de wereld moeten afleggen, plegen te binden. , Hij fchaamt zich niet, een verast Hebreêr te worden, toen hij begrijpt, dat hij zonder God te beledigen, geen Egyptisch Prins kan blijven. Mét het Hof en met de waar-' digheid , die hij aan 't Hof bezat, moesten ook de rijkdommen en fchatten worden verk.ten, tot zijne waardigheid . behoorende. Hij trok ongetwijfsld, als Zoon eener Prin- > fes, van zekere goederen en landen, zo veele inkomtten, dat hij den luister zijns ttaats vertoonen konde. Misfchien' was het moeilijker voor de natuur, van deze, dan van het Hof en deszelfs wellusten te fcheiden. 't Geloof van moses f let hier wel op, Lezet!') zegevierde over deze verzoeking: (*) Hij agtte de verfmaadheid van christus voor grooter rijkdom , dan de fchatten van Egypte. Hij wil liever arm en een vriend Gods , dan een bezitter van: groore inkomlten, maar hier bij een vijand van God zijn. * Welk een hart? Waar zijn de helden, die hem gelijken? Wie heeft zó veel moed als hij , om zijn geluk aan den' I gojsdienst op te offeren? CO Uebr. Xh c6.

Te Amlterdamj bij M. de B RU IJ N, fci de Warmöeslttaat.

Sluiten