Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 141 )

die vlekloos heilig is? Zal bij niet wenfchen van jf.hts uit zijn rijk verbannen te zijn? Maar zonder jesus is 'er geen hemel; derhalven zal een onheilige daar geen inwooner zijn, of immer den Heere zien.

Maar, dat wij altans moeten aanmerken; tot het gezelfchap der engelen en verheerlijkte troongeesten is tevens

een onheilige onbekwaam. De Apostel, fpreken-

de van den ftaat des hemels, vertoont denzeiven als een* ftaat van gezelligheid, waar in verheven Geesten met elkander woonen en in onderlinge hoogagting en liefde met elkander verkeeren: „ Gij zijt gekomen (zegt (*) hij) tot het hemelfche Jerufalem, en de veele duizenden der engelen; tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeboorne, die in den hemel opgefchreven zijn, en tot de Geesten der volmaakte Rechtvaardigen." Het genieten van dit geluk wordt elders door onzen Heere genoemd, aan te zitten met abraham, izaak eh jacob; 't is een aanzitten met alle de Patriarchen, en Profeten met alle de Apostelen en Martelaaren in het Koningrijk der hemelen. — Een onheilige ftreelt zich fomwijlen met die taal, „ 'er ontbreekt niets, ter vervulling van mijne gelukzaligheid, dan een plaats onder dit gezelfchap;" en uit dien hoofde zullen wij met hem hierover een poosjen redenen. Onderftel mensch, dat gij onheilig den hemel intradt; 't is zo , gij zoudt misfehien op eene aangenaame wijze getroffen worden, door het zien van de bewooners der heerlijkheid; ook is het meer dan mogelijk, dat de glansrijke en aanlokkende geftalte, waar in zij voorkomen, u bijzonder zoude innemen; in beide opzigten mogt het natuurlijk genoeg zijn, hen in 't eerst met een eerbiedige houding te bejegeneu, als perfonen, met welken gij u verheugen zoudt wel te ftaan, en in wiet vriendfehap gij gaarn deelen wilde. — Maar hoe, dunkt ti, zou dit voorftel van vriendfehap, door u gedaan, bij engelen of verheerlijkte rechtvaardigen worden aangenomen? 'Er is geen twijfel aan ■— was 'er mogelijkheid u te bekeeren, zij wierden voor u predikers der gerechtigheid; maar daar zij weten, dat die tijd voorbij is en gij onbekeerlijk waart, zoude hunne liefde jegens God, en hunne zorgvuldigheid, om bij hem goedgekeurd en aangenaam te wezen, hen beletten eenige innerlijke vriendfehap

C») IWtr. XII: ae , 43,

S3

Sluiten