Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 142 )

fchap te maaken met lieden, welker natuur en eigenfchappen zoo tegenftrijdig waren met die des Opperwezens ,

't welk zij vereeren en hoogagten. Behalven dit,

zou hun éigene gefteldheid van geest hen afkeerig maaken van zulke ontaarte fchepzelen. Hoe grooter medelijden zij ook met uwen ftaat mogten hebben, hoe te meer zij u zouden vlieden, als een voorwerp, ondragelijk hunner tegenwoordigheid. Deze weigering zou u geweldig grieven en ten hoogden tergen. Hoe toch zoudt gij kunnen dulden, dat gij dus verftooten en onteerd wierdt door de uitnemendde aller fchepzelen ? Door hen, die gij mogelijk weleer zeer gemeenzaam gekend en met welken gij in een' gelijken graad van aanzien op deze wereld verkeerd hebt, « ja door veelen, die eenmaal geringer geweest zijn dan gij , en welken gij in uwen hoogr moed als uitvaagfels befchouwde? Het natuurlijk uitwerkfel hier van moet gewisfelijk zijn misnoegen en toorn jegens hen. — En, wanneer gij verder gewaar wierdt, welk eene verrukkende blijdfchap en welk een dreelend genoegen zij in elkanderens vriendfehap genieten — wat vreugd Gods liefde in hunne zielen verwekt, terwijl gij u in die zelfde plaats bevondt en geen deel hadt ;aan dat alles, zoude uw hart, in het midden der gezuiverde geesten en zegevierende inwooneTs, niet gefolterd worden door pijnigende driften? Zoude uw hart door nijd, als het ware, niet verteerd worden? Misfchien zou de nijd u ver¬

voeren, die zaligheid, ware het mogelijk, te verftooren; — maar, merkende, ;dat ze geduurig zijn onder de befchexming des Allerhoogften, en dus 't eenemaal buiten het bereik van uwe boosheid, zo zouden de vuurige pijlen van uw door nijd ontgloeid hart op u ■ zeiven weder te rug fluiten, gij zoudt hun gezelfchap vlieden, en zelfs blijde zijn, mogt ge u naar een flegter plaats begeven , in de fcliaduw der duisternis verbergen, ver van de gezuiverde gewesten der zaligheid, ver van deze glansrijke voorwerpen, welker luister, in plaats van uw verdorven gezigt te vervrolijken, alleen ftrekt, om het zelve, doorzijn al te groote heerlijkheid , te pijnigen. — Waar uit dan weder ontegenzeggelijk verzekerd wordt, dat een onheilige geen inwooner van den hemel kan of zal wezen —- en dus nimmer den Heere zal zien.

ffe.Maar laat ons dit bewijs nog fterker maaken. Verbeelden wij ons, dat een onheilige, in den hemel zijnde, tot

ge-

Sluiten