Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GODSDIENSTVRIEID. SY°. zo.

ïVar.t wie de geheele wet zal houden en in een zal jlruikelen, die is jchuldig geworden aan allen. —

jac. II: 10.

DE CHRISTEN MOET ZICH VOOR ALLE ZONDEN WACHTEN.

De woorden van jacobus, welken wij boven dit Vertoog plaatilen, verdienen wel onze opzetlijke opmerking en nauwkeutige overweging.— Zij fchijnen toch hoogst bedenkelijk, daar de Apostel verklaart, dat hij, die één gebod van de wet (namentlijk van Gods wet) overtreedt, al onderhoudt hij de overige geboden, een overtreder van allen

is. — Hoe is dit gezegde mogelijk ?

Het is zonderling, dat wij bij de Joden juist dezelfde fpreuk aantreffen. In hunnen Talmud (*) fchrijven zij van moses wetten, dat, zo wanneer iemand die allen houdt en maar één nalaat, hij fchuldig is aan allen. — Dit is te opmerkelijker, om dat ja co bus juist aan de Joden fchreef: want aldus vanat Hij zijnen Brief aan — jacobus — — den twaalf {lammen, die in de ver/lroojing zijn, zaligheid. — Jacobus toont ook duidelijk, dat Hij op de wetten van moses in het verband doelt. Van dezen na

fpreekt juist de Talmud ook.

Alberti haalt twee ongewijde Schrijvers aan (H;), welken

(♦) Conf: w o l F 11 Cura- (f) Vub aliuti quoque testimonium épud neuboorium in Bibli Brem: l. 266. £11. DUEL. ¥

Sluiten