Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C '57 )

toept zich toch op de naauwe aaneenfckakeling van Gods geboi den, en waarti]k zij maaken één geheel uit. — Ailts wat wij onzen Naasten verfchuldigd zijn loopt in dit eene punct te

famen hebt uwen Naasten lief, als v zeiven. .

Al wat wij Gode verfchuldigd zijn, komt op dit ééne uit

Heb God lief boven al. — Zo dat alles op twee geboden

neerkomt. — Ja ; die twee nog maaken één uit. Wie het ééne fchenc't, fchendt ook het andere. Want indien iemand zegt ik hebbe God lief en haat zijnen Broeder, die is een

leugenaar. (*) Dierhaiven zien wij wegens het nauw

verband der Godlijke wetten tot elkander , dat die Helling •waarachtig is, dat Hij die één gebod overtreedt, zo wel fchul« dig is als hij die allen overtreedt. —

Hier komt bij , dat Hij , die één gebod overtreedt daar door betoont geen ontzag voor den Wetgever te nebben: en in zo verre is het evenveel, of men maar één, 'dan of men meer geboden overtreedt. Men houdt a's dan toch God in geene erkentenis — Men vreest hem nier. — Zulk een is derhal ven een zondaar leert jacobus — Wij durven

nog meer zeggen — hij is dikwerf een groot zondaar.' .

Dit vereischt wel eenige nadere ontwikkeling. —

Laat ons ter opheldering ons bedienen van de voorbeelden, welke jacobus zelve aanvoert.— Hij noemt overfpel en dood/lag in het volgende vers. — Veronderllel nu iemand, van een aandoenelijk geftel, waardoor Hij een afkeer heeft van alle wreedheid. — Zulk een, uit; zich aan onkirschheid overgeeft, zou tegen zijne Natuur moeten aan druifchen, bijaldien hij een doodjlag beging. Men heeft het hem dierhaiven als geene deugd toetefchrlj ven, dat Hij geen doodflag begaat. Hij volgt daar in enkel zijne natuurlijke neigingen. Hij laat dierhaiven dat kwa:<d niet na qiu dat het Gode mishaagt — om dat die het verboden heeft; want dan zou hij ook de onkuischhe'd nalaten, dewijl God hem ook ge. biedt, Gij zult geen Overfpel doen: Doch hij bekreunt zich hier aan niet , dewijl zijne neigingen zich tot het bedrijven

van onkuischheid uitflrekken. Door dit laa.fte gebod

doe geen Overfpel te overtreden toont Hij middagklaar, dat, zo hij r.iet zondigt, zulks niet voortfpruit uit eerbied voor God. — Dat, bijaldien zijne Heigingen hem tot andere ondeugden deden overhellen, hij zich daar toe even zo Wel zou laten vervoeren, als tot het bedrijven van overfpel.

(*) i jfoün. IV: 20. SMogten onze Nederlanders meer de kragt van jkze plaats gevoelen! ——

V 3

Sluiten