Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GÖDSDIEISTV1.IËNI)

$V°. 23.

De menich gaat na zijn eeuwig huis.

pred. XII: 5.

IET BIJ DE INTREDE VAN HET JAAR ttfii

AI wederom een Jaar verflreekeh, al wederom ëene fchre; de nadei'aan het graf; o mijne waarde Landgenooten! Eer dit jaar geëindigd is , zullen 'er verlcheiden vart ons irl 't (tof rusten en een aas der wormen worden; die gedachte, : ik hen voor eene 'eeuwigheid, kan óns alleen in dezen verI troosten, tegen den dood wapenen en-de edelfte lesfen ver» I fchaflen , om onze dagen wél te helleden en Ons daar irf I voor een gelukkiger leven toe te bereiden.

Dit lichaam zal tot aarde wederkeereri , inaar ik héb iti mij een wezen, dat denkt, dat or.fi:oflijk,dat geestelijk is; eti dit, dit zal weder tot God gaan , die mij het zelve gegeven i heeft. De mensch moest, om volgends het ontwerp des 1 Scheppers aari het oogmerk van zijn beltaan te voldoen, té I gelijk aardsch en geestelijk wezen. Zonder lichaam kón hij J geen genot gehad hebben van de ftoflijke wereld, welkë hij I ffioest bewoonen; zonder ziel Ronde hij God niet gekend I hebben, noch tot deszelfs bezit geraaken. Als eeu gemengd 1 wezen is hij te gelijk ondergefchikt aan de hoofdftoffefi ert 1 Verheven boven het heelal. Hij is het, die de werenfchap• pen toepast op duizend aangenaame en nuttige zaken, dia 'er zich, met het beste gevolg van bedient, om zijne denk: beelden te recht te brengén en te geraaken tot de kennis des Opperden Wezens: — ik heb dan iet in mij, dat denkt,dat onftoflijk, dat geestelijk is.

III. deel; ?( Mij-?

Sluiten