Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 178 )

Mijne. ziel, uit geene deelen beftaande, kan dan ais zo* danig t noch aan een ontbinding noch aan eeni» verderf overgegeven worden, of, dat het zelfde zegt, zij kan niet fterven. — Of zou de Almagtige haar vernietigen? maar'er wordt in de Natuur niets vernietigd, des zal mijne ziel insgelijks blijven voorddnuren. — Of zou de Schepper door den mensch het verband in het heelal verwoesten ? alles, wat opklimt, moet bij behoorlijke trappen opklimmen. De ladder der wezens maakt één geheel uit,en verliest zich voor ons, boven de wolken, in het rijk der geestelijke wezens; in deze ladder moet een fport zijn, waar op wij ftaan. Is dit waar, zo moet onze ziel eeuwig zijn, of die ladder eindigt in den mensch. Maar welk een wijde kloof in den fametihang van alles? overal is gelijkvormigheid, overal laat de Vormer der Natuur eene zagte opklimming in zijne werken zien, en zoude onze Schepper die gelijkvormigheid, die orde, niet in het pronkftuk zijner hand vertoonen? — Mijn Schepper, is een wijze Schepper. Dit fielt mij gerust. Mijne ziel juicht: ik zal leeven, eeuwig leeven!

Een wijze Schepper? .. des zal hij mijne ziel altans niet vernietigen. Zijn oogmerk, in het fcheppen van alles, is de verheerlijking zijner volmaaktheden. Voldoen wij nu aan dit oogmerk in dit leven? geensfins; wij kennen en verheerlijken onzen Schepper niet, zo als het behoort; bijgevolg moet of God zijn oogmerk niet bereiken, of de ziel moet na dit leven overbleven, om het zelve te vervullen. Doch hij, die alles weet, mist nooit in zijne oogmerken. Vrolijk vooruitzigtiDan moet mijne ziel overblijven. Overblijven?., hoe lang? — eenige eeuwen ? tot het oogmerk bereikt is?., liever vrezen we, dat de zon in ijs verandere. Mijn Schepper, mijn Vader zal zijn kind., welk aan zijn oogmerk voldoet, in hem te verheerlijken, in onophoudelijk hem te verheerlijken, nimmer verdelgen. Of zou de verheerlijking, de waare dienst van zijn fchepfel, hem immer onaangenaam kunnen wezen ? Als ik dit geloove, zal ik ophouden te denken, dat mijn

Schepper een wijs en tevens goedertieren Vader is. 1

Mijn God is oneindig rechtvaardig. Hij kan nooit het goede onbeloond, nooit het kwaade ongellraft laten. Maar hier op aarde worden dikwerf die genen , die God dienen, eeren en vrezen , onfchuldig vervolgd , gepijnigd en vertreden, daar zulken, die den Heere verlaten, gezegend zijn. —— Liefderijke Vader! gij zijt immers zóó rechtvaardig als goedertieren? En zoudt ge dan voor eeuwig geen onderfcheid maaken tusfchen die genen, die u onteeren, en zulken, die

U

Sluiten