Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D Ë

GODSDIENSTVRIEND»

8Y*. 24.

— Zeker hij Ledekt zijne voeten in de Perkoelkamer*

richt. III: 24.

HET VOETEN DEKKEN.

Men moet zich verbaazen over de twisten , welke de' Godgeleerden en Uitleggers van onzen Bijbel verdeeld

hebben. — Die verbaazing wordt aanmerkelijk minder,

wanneer men wat meer van nabij beziet, op welke wijs en op welke gronden zulke verfchillen zijn Ontdaan en worden gevoerd. — Een voorbeeld daar van vinden wij in die fpreekwijs — de voeten dekken, — welke, behalven in de boven 1 aangehaalde plaats nog éénmaal in den Bijbel voorkomt

— De Geleerden hebben vooral tweederlei gevoelen opgege& ven en voorgedaan — Op welke gronden zulks zij gefchied, 'i willen wij voor het tegenwoordige wat nader onderzoeken.

Veelen zijn van begrip, dat deze fpreekwijs betekent zijn j gevoeg doen. — Dat de Oosterlingen dit een dekken van de ij voeten genoemd hebben, om dat zij gewoon zijn zeer ver' bloemd van zulke natuurlijke dingen te Ipreeken. — Men 1 heldert dit daar door dan op, dat de Oosterlingen, wanneer i zij hun gevoeg willen doen, of water loozen zich op hunne j hielen of op laage gemakken nederzetten en hun kleed om : hunne voeten flaan. — Men neemt daar bij dan ook aan, j dat de gemakken der Oosterlingen zeer laag ziin, waar door , zij zeer gemakkelijk met hunne lange klederen hunne voeten \ kunnen bedekken.

Toen wij die fpreekwijs ih onzen Bijbel ih verband lazen, ï hechtten wij 'er geheel andere denkbeelden aan. — Dochi

toert

CO 1 Sam. XXIV: 4.

III. deel. Aa

Sluiten