Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'C 20S )

„ Amen, de Getrouwe, de Waarachtige Getuige, ik verzeker " het u — ik zal met eigen hand, voor het oog der bijeen " vergaderde volken, in het aanzien van allen, u erkennen

en kroonen. Uwe vrienden zullen het met verrukkingen van „ vreugde aanfehouwen, en u geluk wenfehen met deze eer, „ waar in zij ook deelen zullen; -<— uwe vijanden zullen , het met bitfe nijdigheid en met helfche blikken aanzien,

ter vermeerdering van hunne befchaamdheid, verbijstering „ en ellende. — Deze kroon zult gij eeuwig dragen, tot ,, een altijd en altijdduurend gedeukteeken van mijne agting \, en genegenheid; ze zal niet enkel ftrekken tot een blinkend „ verfierfel — neen; eene gloririjke achtbaarheid zal 'er j „ mede verzeld gaan; gij zult heerfchen in alle eeuwigheid, „ en zoo wel koningen als priesteren Gods zijn." (*)

Niet flegts ftrijden — overwinnen

Moet men om de levenskroon! Hachlijk valt wel het beginnen,

Maar wat ftaat de zege fchoon t Dees behaalt alleen een heilig; Hij alleen, denkt blijde en veilig,

In het eind, aan 't bitter leed,

Daar zijn bange ziel mee" ftreed.

Maajers, die het ijvrig zwoegen

En de heete zon vermoeit, Zingen vrolijk , van genoegen ,

Als de dag ten avond fpoeit: Nog veel blijder zou ik zingen, Na zo veel bekommeringen,

Zo ik van mijns levensdag

Eens den blijden avond zag.

(♦) Openb. XXII: 5. I: 6.

T- Amftetdam, bij M. de BRU1J N, in de Warmoesftiaau

Sluiten