Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D É

GODSDIENSTVRIEND.

2.7.

Ende hij zeide, dit zal ik doen; ik zal mijne Schiuren afbreken en groter bouwen: en zal aldaar verzamelen alle dit mijn gewas en deeze mijne goederen.

luc. XII: iS.

OVER DE SCHUUREN DER OOSTERLINGEN.

De mensch is gewoon aan de woorden, weiken hij hoort of leest, denkbeelden te hechten van dingen die hem bekend zijn. — Geen wonder dan ook, dat de meeste Lezers van den Bijbel, wanneer zij in de bovenaangehaalde gelijkenis van den Zaligmaaker van fchuuren lezen, daarbij aan onze koornfchuuren denken , vooral de zulken, die bij de boerenwooningen ten platten lande zijn en niet zoo zeer die pakhuifen of koornfchuuren, welken men in de Steden aantreft. Dat de meeste Lezers bij dat woord zich zulk een

denkbeeld vormen Cen, wanneer ze dierhaiven van afbreken en grooter bouwen lezen,denken aan een fchuur,welke een gebint of twee grooter wordt gemaakt) verwondert ons niet: maar dit gaat ons begrip te boven, dat 'er nog Leeraars zijn, welke, in hunne Predikatiën over deze gelijkenis, daar mede zo wonderlijk omfpringen, dat gij zeggen zoudt: die Rijkaart, van welken de gelijkenis gewag maakt, woonde in een of andere Koopftad van ons Vaderland, of was ten minlte een voornaame Boer, die magtig veel graan bouwde en groote fchuuren had.

Wij zullen, ter wegneming en weering va zulke ongegronde denkbeelden, onze Lezers de waare fchuuren der

III. deel. Dd oos-

Sluiten