Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C M3 }

óp fchuuren Boven den grond, gelijk wij hebben. Het woord louwen toch, zoo wel als het woord afbreken fchijnt ons te noodzaken, dat wij aan zulk foort van fchuuren denken, als bij ons.

Wat het woord afbreken (*j betreft: dit kan eenvoudiglijk van dat alles genomen worden , 't welk verandering ondergaat, en dierhaiven niet meer op zulke wijs tot het vorig einde dient. Maar in een letterlijken zin komt hier het afbreken , (wegbreken, gelijk 't woord in 't gemeen betekent) te pas; want men moest om de voorraadfchuuren te vergrooten van alle zijden, de wanden van de putten wegbreken, uiihoolen. Dit alles wordt nog duidelijker, wanneer Wij aannemen, gelijk f abrr fielt, dat men ook al de zijden van zulke kuilen opmetfelde. Dan moest men afbreken, wilde men de putten grooter maken. — Het is niet ; onwaarfchijnelijk, dat men, daar alles door den tijd verbe; terd wordt, zulke kuilen, die eerst alleen aardkuilen wa! ren, naderhand ook bemetfeld heeft om verfcheidene ongemakken voortekomen, zo als tegen het invallen van de aarde < en het doorwroeten van dieren. —

Wat het opbouwen (t), waarvan ook gefproken wordt, aangaat. Indien wij aan een onderaardfche getnetfelde voorraadschuur denken, dan komt het opbouwen zo letterlijk te

pas, als iets wezen kan. Maar — behalven dat het

woord komt ook voor van de graven of begraafplaatfen, die zeer zeker onder den grond zijn. (§)

Maar — zal welligt nog iemand denken — dat Opleggen 1 van koorn voor veele jaaren is immers eene groote verkeerdi heid — waarom het niet liever verkocht en de gelden bei waart? — Dat men in een land van koophandel — en in i het gemeen in onze tijden zoo denkt, bevreemdt ons niet» j Doch in die tijden en bij die volkeren kwam het niet te pas. ,— De Joden voerden, in het geheel geen koopmanfchap met uitlandfche volkeren, en — daar meest elk meer of ] min zijn eigen land had —- kon men ook zeer weinig koorft j aan inlanders kwijt geraaken. — Daarom moest men 1 het wel opleggen voor het toekomende. Dit nu is in het Oosten te noodzakelijker, dewijl men fomtijds verfcheidene i| jaaren misgewas heeft, gelijk ten tijde van j o s e f in Egypj ten wel zeven jaaren aan een. —- In zulke tijden komen

uit-

(*) K«^«psw.

^t) OltLQ$0l*>Stl'

(S; Luc. xu 48.

Dd *

Sluiten