Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 215 )

dreeven, want de inwooners van Minnit en Pannahhan'„ detdeu met u." .

Befchouwen wij nu nog eenige Bijbelplaatzen, welke het beredende bevestigen , en daar uit opgehelderd worden.

Wanneer God aan /sraë/beloofde (*"),dat hi] den zegen gebieden zou, dat die hun was in hunne, fchuuren (t) betekent dit het zelfde, als het geen wij zoo menigvuldig in het O. T. aantreffen, dat zij gezegend zouden worden in koorn, most en olie. Zoo verklaart ook salomo, fj>) dat zü die de eerftelingen der vruchten tot God bragten, pok dezen zegen zouden genieten: dathunne fchuuren met, evervloed zouden vervuld worden. ,

Opmerkelijk is ook eene Bijbelplaats. Q waar m wij lezen — de Filistijnen ftrijden tegen Kehila en berooven de fchuuren. — Men herinnere zich hier; dat wij uit deReisbefchriivers vernamen, dat'er veeltijds verfcheiden honderden van zulke fchuuren bij één waren. Dit was het geval bij elke ftad. In de fteden kon men niet wel putten of kuilen hebben; daarom hadt men die buiten de fteden; zo was het ook te Kehila. Wanneer men hier bij nu onder het oog houdt, dat de Oosterlingen, gelijk nog heden plaats heeft, dikwerf alleen een ftroop doen om buit en dan wederom aft frekken , kan men zich het rechte denkbeeld van dezen onverwachten inval der Filiftijnen vormen.

Wij maakten gewag van tijden van gebrek, wanneer da voorraad van vroegere jaaren te pas kwam en opging. Van zulk een tijd lezen wij bij joel, Ctt ™° zelfs» dat de fchuuren verwoest en afgebroken werden, i

Zeer gepast denkt f a b e r in eene plaats van j e s a i a ( ) aan zulke fchuuren. God beloofde daar aan cy r us: tk zal u geven de fchatten, die in de duistermsfen ztjn en de. verborgene rijkdommen.

Dewijl men dan óp zulk eene wijs graanen en andere din. sten in het open veld bewaarde, kan men niet anders denken volgends de rampzalige gefteldheid van het menschdoitt ten allen tijde, of daar zullen 'er ook gevonden zijn geworden welken zulke fchatten . zochten te fteelen. Faber haalt twee plaatzen aan, alwaar hij wil, dat op zulke diefagtige nafpooringen zoude gezien worden. In de eerfte plaats lezen wij, (tt) zij haaken naar den dood; ztj gra-^

rw XXVIII-8. (f) Lutherbeeft zeer eigenaartig kelders

fo Zw- ™-. j. w cm P>; 1111 .

Sluiten