Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C »a9 )

Die wenk bewecgc de raders nog

Der werkende natuur, Juich bloeiende Aardbol! Voedfterling

Van 't zorgend Albelhiur! De helling naar uw middenpunt,

Voert U uw loopbaan door; En daar uw eigen zwaarte boeit,

Ontwijkt gij nimmer 't fpoor. Volmaaktheid ! hoofdtrek van 't heelal —

'k Wij U dees dankb're traan, i Thans lacht gij mij door 't Winterfloers

Met fchuinfche Ionken aan; Ja, wen de vaale damp geftold,

Als vlokjens word geflrooid, Als 't zilvren dons, dat vrugtbaarheid

In haare rustkoets tooit. Dan roemt het zwijgend veld Gods trouw,

En 't eenzaam woud vertoont Zijn eeuw'ge liefde en wijsheid, die

In doodfche fluimring woont. F f 3 G*

Sluiten