Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

03S)

worden (*). Wilde jacob, dat die Heen in een huis van

God zoude veranderen? Neen, op deze plaats, daar

hij dien zette, wilde hij in 't vervolg den Heere een Tempel bouwen. Zo zeide hij ook bij zijne te rugkomst

uit Mefopotamien : nu ben ik tot twee heiren geworden; (f) dat niemand letterlijk op ja cob zal toepasfen.

Volgends dit taaleigen, is de gemelde vertaaling van miCHAëns juist getroffen; tdan lezen wij, haar wierd, tot

een gedenkteeken , de zoutpilaar opgerigt. Nu

vloeit hier alles natuurlijk. In die landftreek, waar

eertijds Sodom, Gomorra en Zeboim geftaan hebben, ontbreekt het niet aan gewoon zout, liggende de daalen , wanneer de Doode zee haare oevers overfchrijdt, met eene korst van zout bedekt. Van dit zout, zegt michaö'lis, fchijnt het, dat loths nakomelingen haare Stammoeder eenen grafheuvel opgerigt, en die jaarlijks, wanneer hij afnam, vernieuwd hebben.

Doch ook in deze gedachte kunnen wij niet berusten, want door den Regen en Dauw zoude die zoute gedenkzuil fpoedig verflonden zijn. Wesbalven wij liever

willen gelooven,dat de Moablten, welke afkomelingen van' loth waren, een fteenen gedenkzuil voor loths huisvrouw hier hebben opgerigt; welke, fchoon van fteen zijnde , met den naam van zoutpilaar, naar de plaats, waar zijftond, genoemd wierdt. Dus lezen wij van een zout ftad in (O de gewijde bladen, fchoon niemand zal vast ftellen dat de ftad van zout gebouwd zij. Maar 'er waren in dien tijd reeds verfcheiden gedenktekenen, en dus werdt dit gedenkteken, om het van anderen te onderfcheiden , denaam van' zoutpilaar, naar de plaats, waar hetftond, gegeven.

Bachiene verhaalt, dat veele laatere Reizigers'zich de vergeeffche moeite gegeven hebben, om deze zoutzuil bij de zee Asphaltitet te vinden. Op de kaart van adriochomius vindt men ze bij den mond van de beeke Ke-

dron*

<*) Oen. XXVIIIt 18, 22. Cf) Gen. XXXII: 10. (§; Jofiia. XV: 62.

Sluiten