Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 239 )

! dron. De Heer j. j. schmfdt plaatst dezelve op de

i benedenfte punt van de Doode zee tegen over Zoar.

De Schrijver van het Boek der Wijsheid (_*) geeft te

; kennen, dat van der Sodomiten boosdaadigheid nog in zijnen tijd tot een getuigenis ftrekte, dat rookende woeste land,

! en de hoornen, die ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar , jïaande tot gedachtenis van de ongeloovige ziele.

| Josephus fprekende van deze zuil, zegt, dat die huiden ten dage nog te zien is. (f) Men heeft, wel is waar, dit getuigenis van josephus voor een fabel willen verklaaren, om dat hij ook van Sodoms appelen fpreekt, die de Reizigers zeggen, dat daar niet gevonden worden; doch alzo

: de meesten die appelen aan boomen en niet aan ftruiken ge-

s zocht hebben, moesten zij dit getuigenis afleggen. De

t groote hasselquist getuigt, dezelve gezien te hebben.

I Hij geeft 'er ons deze befchrijving van: (§) „ Sodomsap„ pelen zijn vruchten van dat foort van houtagtige Nagt-

, if fchaduw, welke Melantzen of Dol-appel-ftruiken ge„ noemd worden. Deze vond ik in menigte omtrend Jeri„ cho , in de dalen bij de Jordaan, niet verre van de Doo„ de - zee. Van binnen zijn dezelven fomwijlen, maar niet „ altoos, met ftof opgevuld. Deze omftandigheid wordt „ bij fommigen van deze vruchten daar door veroorzaakt, „ om dat zij door een zeker foort van Wespen gefto,, ken worden. Deze veranderen het binnenfte vleeschag„ tige gedeelte van deze vrucht in ftof, en laten flegts de „ buitenfte zeer fchoon gekleurde fchillen."

Eindelijk kunnen wij vraagen: of de zonde van loths vrouw zoo groot was, dat zij zulk eene vreeslijke ftraf verdiend haddel Gewis, mijne vrienden! hier in is te zien ongehoorzaamheid tegen een verbod, 't welk haar en haaren man, en dochteren, van Gods wegen, door den Engel zoo duidelijk was bekend gemaakt; — insgelijks al te groote

t aardschgezindheid. Sodom was eene fchoone ftad, gelegen

in

(•O Hoofdfl. X: 7.

(t) j. Oudh. B. i. C. XI.

1i§) ln zijne Reize naar Palestina bl. 56e.

Sluiten