Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C =44 )

danige werken gevonden , welke , hoe meer het verftand van den beperkten fterveling daar bij verdomt , dies te meer , ais 't ware , de meesterhand van God te kennen geven , en welker nadere befchouwing en omzwachteling van hunne geheime famenvoegingen hem , aan wien God deze wonderen van zijne wijsheid volbragt , met den

hoosden graad van blijdfchap verrast. Hier ontdekt

de één de ongelooflijk-treurige gevolgen, welken de bereiking van zijne oogmerken , wa'ar naar hij zoo vuurig reikhalsde , en die zijn bekrompen verftand met toeftemming van de wijsten zijner vrienden eertijds van eene algemeene nuttigheid oordeelde, over eene menigte van zijne broederen zoude verfpreid hebben : en dankt nu dien , die uit liefde voor alle zijne fchepfelen op de edele traanen van den deugdfamen geen agt fcheen te flaan , en zijne ijverigfte pogingen op alle mogelijke wegen te keer

ging. MAr ziet een ander de dwaasheid van zijne

poogingen , waar door hij , terwijl hij zijn talrijk huisgezin de middelen tot een zeer gemakkelijk beftaan nog bij zijn leven trachtte te verfchaffen , en het zelve de middelen tot duizend misftappen en buitenfpoorigheden gegeven , deszelfs naardigheid verflikt , en een groot gedeelte van zijne nakomelingen onwaardig zoude gemaakt hebben , zich naar hem te noemen , het welk echter thands door groote daaden zich midden uit deszelfs armoede nog boven de verdienden van den Stamvader verheven heeft ; en nu prijst hij den Heere , die het vuur of de roofzucht gebood , om den onfchuldigen Vader met zijne kinderen aan een knaagend , maar tot werkraamheid

aanfboorend gebrek op te offeren. De één ziet

thands , hoe veelen 'er door den triumf der boosheid , welke het gelukt was over hem te zegevieren en zijne onfchuld te befpotten, tegen de ondeugd ingenomen , en tot die ftandvastigheid op het pad der deugd gefterkt wierden , welke hen nu voor die zaligheid , die hij ge.

niet, waardig beeft gemaakt. De ander ontdekt de

waardige armen, cn onder hen eenigen van zijnen naam en uit zijn bloed gefproten, om wier wille het der onrechtvaardige magt mogt gelukken, zijne goederen tot zich te trekken, niet om dezelven te verteeren , maar te bewaaren , en dan met woeker weder te geven in handen van de genen , die dezelven niet dan langs dezen

weg

Sluiten