Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( =53 )

gén, terwijl zij met hun hart God danken en tot hem bidden, Dierhaiven is 'er een driederlei foort van menfchen, welken zich hier fchuldig maaken. Of menfchen , welken het bedaan of bellier van eene Godheid lo-

chenen of menfchen , die het bidden nalaten om de

Mode te volgen, - of zulken, die het verzuimen om niet befpot te worden, en voor menfchen van een laagen geest te worden aangezien. ——

Zij, die het beftaan van eene Godheid lochenen, en niet bidden bij het ontvangen en gebruiken van fpijzen, handelen juist overeenkomftig hunne beginfelen. Maar

hoe weinigen zullen zich bij zulke denkbeelden vergenoegen kunnen! Hoe weinigen zullen zich hier gerust kunnen Hellen! Intusfchen die alleen kunnen zich van 'c

bidden en danken ontdaan. Want zij zelfs, — die

eene Voorzienigheid lochencn, wanneer zij maar het aanzijn van eene Godheid, die alles gefchapen heeft, erken, nen , zij zelfs — handelen tegen hunne beginfelen aan, wanneer zij voor het goede 't welk zij genieten, God niet danken. — Al gelooven zij in den God van epicurus, die zich met de wereld niet bemoeit, dewijl hij in alles eenmaal zekere wetten van beweging gelegd heeft, waas

naar alles blijft adopen dan nog moeten zij God

danken. Want dan is hij het, welke zulke uitnemende

wetten van beweging in alles gelegd heeft , dat mij zoo veel goeds toekomt. Die weldaad eischt dankbaarheid. _ Dat beginzel van dankbaarheid kan men niet uitfchudr

den dankbaar moet men aan elk — voor de minde

weldaad zelfs — zijn — Vooral dan voor zulke bron van weldaaden. Van die dankbaarheid kan zich de Epicurist niet ontdaan , al gelooft hij bij zijn derven geheel te verdwijnen. — Al zegt hij op zijnen grond — laat

ons eeten laat ons drinken , morgen jlerven wij ? —

Evenwel blijft hij verpligt God te danken voor de weldaaden hem bezorgd. Wie toch (welke beginfelen hij ook bezit) wie —. verfoeit den ondankbaren niet ? Dierhaiven zelfs een Epicurus is gedrongen God te danken

bij elke herinnering van Gods gunstrijke befchikking —of hij gedraagt zich, den haatelijken naam van ondankbaren waardig, ti ■■■ J

En — Gij — die niet alleen het aanzijn van eene Godheid , maar zelfs eene bejluurende Voorzienigheid gelooft Gij —— vooral handelt tegen uwe beginfelen rechtI i 3 ftreeks

Sluiten