Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C«54)

ftreeks aan, wanneer gij God niet aanroept bij het gebruik van zijne gaaven. — Gij ontvangt naar uwe eigene denkbeelden (ai erkent Gij geene Openbaring) geduurige zegeningen van God — en Gij zoudt hem niet danken?

Gij zoudt hem niet om meer zegen bidden? — Ondankbaren! ■ Gaat tot het vee ■ en leert van hetzelve

dankbaarheid! — De dankbare hond — hoe vriendelijk

erkent hij niet het gefchenk van één ftukjen brood!

Hoe ftreelend zoekt hij van zijn Meesters hand nog meer

aftebedelen! — Hebt Gij mensch dan uwe edele

—— uwe redenlijke uwe verhevene zielsvermogens

ontvangen om u beneden de dieren te verlagen ? — Zoo dikwerf Gij ze aanfchouwt, roepen ze u toe — Ondankbaren!

Of meent Gij — dat Gode uwe ondankbaarheid behaagen kan — dat hij zulke menfchen zal blijven zegenen? — Wat zoudt Gijlieden doen? Wanneer Gij éénen onge» lukkigen dagelijks zijn onderhoud geeft en hij 'er u niet eens meer voor bedankte, — u niet eens meer verwaardigde om vriendelijk iets te vragen? — Hoe? zoudt

Gij hem blijven geven? .— Raadpleegt hier bij uw hart

wat getuigt het? — Wagt u, zulk een gedrag van

zulke menfchen te verfoeien want Gij hebt het hem

door uw gedrag geleerd. — Gij dan zelfs — die geene Openbaring, maar alleen een' Natuurlijken Godsdienst erkent — Gij —. handelt trouweloos tegen God tegen

u zeiven — tegen de Maatfchappij, (welke Gij ondankbaarheid leert) , indien Gij God niet aanroept, wanneer Hij u zijne zegeningen geeft.

Dit alles geldt in het bezonder u , die ook teffens belijdt in eene Openbaring te gelooven! — Gij zoudt

God niet aanroepen bij het gebruik zijner gaven ? - „

En, dat — daar de Bijbel op elke bladzijde bijna dien

pligt leert, of daar toe opleidt. Het was reeds een

van de lesfen van moses (*) als Gij dan zult gegeten hebben en verzadigt zijn , zo zult Gij den Heere uwen

God loven. De groote Stichter van het Christendom

heeft dien pligt immers door zijn voorbeeld ook geduurig geleerd! — Eer hij brood of andere fpijzen at , dankte en zegende hij dezelven (f). Toea «en in levensgc

CO Diut. VIII: 10. T8aI &> Matth. XV: 36. é? tliK.

Sluiten