Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

GÓDSDIÉISTVWENDi SV\ 33.

IA ben een vreemdeling op aarde, verberg (o Heer) uwé geboden voor mij niet.

psalm CXIX: 19.

ÓNZE VREEMDELINGSCHAP OP AARDE.

De godvruchtige Dichter befchouwt in de woorden, die wij hier aan het hoofd geplaatst hebben, zijn leven op aarde als een vreemdelingfchap, en leert ons tevens, hoe wij het onze hebben aan te merken.

In zijn' herderftand deed hij 's jaarlijks met talrijke kudden groote togten, om de beste weiden en gepaste luchtftreeken Voor zijn vee te zoeken, gelijk de Spaanfche herders , nog heden, om dezelfde rede doen. Dus was david aan binnenlandfche vreemdelingfchap , zo zij dien naam verdient, V*) niet ongewoon; en federt hij aan 't hof en in den krijgsdienst kwam, moest hij meermaals her- en derwaard trekken, ook buiten 's lands; eerst wel om 's Konings krijgsbevelen wijd en zijd uit te voeren, maar daar na, om des tirans en zijner huurlingen haat en woede te ontvlugten,tot dat hij zegevierend wederkwam. — Schoon alle plaatzen van vreemdelingfchap (f) hem aanleiding konden geven hier van te fpreken, nogthands wordt gemeenlijk onderfteld, dat hij hier alleen dus bij verbloeming fpreekt. Hoewel ook de Hebreër land en aarde met éénen naam noemt en daar in armer van taal is, dan wij; en men dus hier aan vreemdelingen in den lande zoude kunnen denken , willen wij het woord hier liever tot de aarde in 't gemeen bepaald hebben Maar hoe,

zegt hij dan, dat hij daar een vreemdöling was ? Gelijk

een

(*) Zeker, zeer oneigen. (f) vs- 54-

(§) Was hij dan geen wereldburger ? o ja, en wij zijn het met hem.' tiaar ook, volgends eene andere bloemfpreuk, in vreemdelingfchap. III. DEEL. ' Kk »i

Sluiten