Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C =5» )

ec-n vreemdeling van elders herkomjllg is, zijn eigen befleir.' vting heeft, zi:n virhlijf niet langer mav.kc, dan noodig is, en veel oplettendheid, ja wel een' goeden gids behoeft, die hem onderrigt aangaande den regten weg, de gefteldheid van luchten grond, den landaard, dezeden en gewoonten van 's lands ingezetenen,om zijne genoegens en vrijheid, om zijne gezondheid, zijn goed en leven zelve. die hij, de kaart van het land niet kennende, ligt krenken en verliezen kan, niet in gevaar te brengen , en om allerlei fchade en onheilen voor te komen: zoo (lelt de godvruchtige zoon van isai zich den Heere voor, belijdt den tegenv\oordigen ftaat zijns zorgelijken levens, en draagt zich op aan zijn medelijdend en onrfermend opzigt en befluit.

In 't bijzonder hadt de vreemdeling doorgaands, wegens het overdreeven patriotisme der oude volken, veel te lijden, en was gemeenlijk een voorwerp van verfmaadheid, veragting en verdrukking. Ten alierminfte een verfchooveling, een weerloos ellendeling. Van hier, dat hij zo dik\\ ijls bij weduwen en weezen pleegt gevoegd te worden, en dat Isiaë:s Wetgever zulke wjjze wetten , menschlievende verordeningen ten hunnen beste hadt ingefteld. En hoe zeer gezegde Kigenfchap op david toepasfelijk was, en wat hem in zijne vreemdelingfchap al bejegende, blijkt genoegzaam uit zijne klagteJn dezen Pjdlm en uit de heele gefchiedenis van zijn leven.

Dus opgevat, leert hij ons tevens, wat wij van ons zei ven te denken hebben. Ook wij zijn vreemdelingen op de aarde. Ja dit is het lot van alle Itervelingen; vroom en onvroom, menlchen van allerlei (hiaten en ouderdom hebben dit met elkander gemeen. (*)

Wij zijn allen van andere herkomst, uit een ander land dan waar wij ons nu bevinden. Wel is waar, wij zijn uit (tof, naar ons verganglijk deel, maar onze redenlijke en onfterflijke geest is van hooger afkomst en oorfprong. Hebben wij niet allen éénen Paderi (f) Zijn wij niet uit het rijk der geesten, van God den Vader der geesten , die in de hemelen is, afgedaald ?

ja,

En welke? Iloedanige fonrt van vreemdelingen het Hebr. woord Ger te kennen geelt is bij de Geleerden in gefcliil. Mi en aü lis bekent het niet te weten —- Doch Lev. XXII: 10 en Deut. XVI: ri. doen hrta vermoei!en , dat Ger zulk een uitlanderzij, welke geen eigen akl<tr had, en dus hier in van Tofchab, die geen eigen huis had, verfcheelde. Ondertusfchen gelooft hij niet, dat dit onderfcheid in agt jrenomeu zij M. R. §. i —- Zie ook schultens over dit woord. David komt hier voor als een vlugteling — maar daar uit volgt niet, dat hij zich op eeu foort van vreenirielini;fchap bepaald heeft. O i C/irou. XXIX: 15. ff. XXXIX: 13. (f; Ww»' Ui i».

Sluiten