Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 261 )

pp aarde zijn. Eene waarheid nogthans,welke in het bijzonder haar kragt behoudt bij hen, die met den geest van davids godvrucht bezield zijn; Ja alle vroomen en oprekten zijn het bij uitnemendheid. (*)

Zij zijn uit God gebooren, kinderen des lichts. De hemel is hun Vaderland. Daar is de ftad die zij zoeken. Zij zijn r iet uit de wereld, noch beheer?cht met 's werelds geest, maar hebben den geest die uit God is. (f) Hier is het land der ruste niet. Zij woonen bier buiten hun vaderlijk erf, met verlangen om bij den Heere in te woonen, en het aardfche huis dezes tabernakels te verwisfelen met eeuwige gebouwen Zij gaan naar hun Vaders huis. Tendiwus in coelestem patriam.

Het blij vooruiuigt op het eeuwig gewigt der heerlijkheid maakt hun verblijf hier kort, al hun druk en kruis, hoe zwaar en moeilijk, ligt.

Het is en blijft hier ftrijd. 'Er is veel nodig. Niet alleen in buitengewoone tijden; gelijk david bang te moede was, toen saul op het hevigst woedde; dePhilijlijn vergrimde; vriend en medgezel, fchutsheer en behoeder, ver van hem was, alles tot zijn verderf t'zamenfpande; de Christen (§ ), toen Jood, toen Heiden, toen Rome, tegen hem ontftoken was, en 'svijands gramfebap brandde: maar ook in gewoone gevallen en omftandigheden. Veele zijn de tegenfpoeden des rechtvaardigen. Veele zijn zijne beproevingen en verzoekin, gen. Zijne vijanden zijn gevaarlijk, magtig, en houden niet op hein aan te vallen en te bevechten. Zorgelijk zijn hera zelfs de bekoorlijkheden; dezes levens. Hoe ligt bekruipt hem, te midden van zijne rust, de traagheid van het vleesch, maakt hem onbekwaam ten ftrijde, en doet hem vertraagen in zijne baan.

Uit dit alles ziet men den grondflag van de bede, Heer, verberg uwe geboden voor mij niet, en tevens, waar het ons vooral om moet te doen zijn in onze vreemdelingfchap.

Is de vreemdeling gewis verloren , zo men zich, vooral, in hachlijke oogenblikken van hem onttrekt, en nodig onderrigt voor hem verborgen houdt; zo befchouwt zich da via ook, en bidt derhalven, niet min vernuftig en gepast, dan godvruchtig en voorbeeldig, dat God zijn Woord Cwant hierop komen de benaamingen (\.~) van geboden en zoo veel an-

de-

CO Hebr. Xb 13- Philips Hf: 20. Ct) Joh. ï. 13. Ephef. V: 8. I Thesf. V: 5. Col. 13. (§) 1 Oor. iV: 9,11. Ephef. VI.

(40 Pf CXIX: 66. Geboden, inzettingen, rechten, wegen, paden, fpooren, wetten, hevelen, woord, heil, toezeggingen, en wat niet al, «ijn niet anders dan gednurige verwisfelingen.

Kk §

Sluiten