Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 2Ó3 )

naar onze betrekkingen en omftandigheden, als hij naar de zijnen, in den zeilden zin, zoo ook met het zelfde hart, tot het zelfde oogmerk, en met dezelfde vrucht.

In den zelfden zin. Zo als wij nu verklaard hebben. In één woord: dat God ons verftand verlichte, in de kennis van zijn Woord, en dat zijn Geest in alles ons geleide en beftiere.

Met hetzelfde hart. Wel verre van in het aardfche en zigtbaare te berusten, met de lieden, wier deel in dit leven is, waanende, dat hunne huizen hfer zijn in eeuwigheid, moet het oog naar boven. Wel ver van los van God en van zijn Woordje zijn, zij ons hart verkleefd aan Hem en zijnen wil, vervuld met hoogagting en tedere liefde voor dien gulden regel van geloof en wandel, dien fchat van wijsheid en van troost, liefde en agting, welke werkzaam is, in het woord neerftig te gebruiken, te onderzoeken, te overdenken, en zich daarmede te beraden. Welverre van ij del zelfvertrouwen in duizenden van nooden en zwaarigheden,maar uit een diep gevoel derzei ven, tot God zuchtende, om licht en hulp, om indagtigmaaking, en geleiden, om raad en daad, om geduurige voorkoming , onder levendige befeffen van derzelver noodzaaklijkheid en groot belang, wel overtuigd,dat hoewel wij zelfs geen vreemdelingen in het Woord der waarheid zijn, wij nogthands telkens en op den duur nodig hebben van den Heere geleerd, geleid, bewaard, geholpen te worden, daar wij anders rede van vrees en bekommering hebben , dat wij op onzen weg niet zouden voorfpoedig zijn, gelijk een Vreemdeling zonder gids, een Zeeman zonder roer. Wel verre van een verdeeld en veroordeeld beftaan, maar met een hijgend en vuurig zielsverlangen, om toch in alles naar Gods welbehaagen te verkeeren en in dat vertrouwen, dat, gelijk wij anders niet in ftaat zijn, om onzen weg te bevoorderen, in tegendeel, zo God onze Leidsman blijft, ons niets ontbreken zal ,en eindelijk, zo geheel ingenoomen met de beminnelijke fchoonbeid van waare deugd en heiligheid, en met de heerlijkheid van 't hemelsch vaderland, dat wij niets liever wenfchen, dan den wil des Heeren te kennen en te doen, met een heerfchenden toeleg, oin met hart, mond, en daaden , een aangenaamen geur van godvrucht te verfpreiden.

En hieruit blijkt reeds tevens, tot welk oogmerk en met welke vrucht david bad en wij zijn fpoor volgen moeten.

Het was hem niet even eens, noe hij zijne vreemdelingfchap aflag. Zo ook den Christen niet. Neen hij zoekt ze, op het fpoor van al de vroome vaderen ,en van jesus zelf, met lof en eer te volbrengen, het beeld van God te dragen, den hemel in het oog, bij den Heer des hemels, daar zijn \ fchat

Sluiten