Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3<5tf )

r.ijd, wraak, vervolging — wie telt alle de wandaaden! -

zijn dag aan dag vermeerderd — grooter geworden!

Dat zelfde volk heeft boete gedaan — zich voor God vernederd — plegtig gezworen , om voordaan voor Hem te

zullen leeven, en zijne geboden te zullen onderhouden.

Mijn God! wat zal 'er van dit ondankbaar, meineedig volk ■— Wat zal 'er van Nederland worden?... Wanneer wij de wegen, welke God met andere volken heeft gehouden , oplettend befchouwen, is het vooruitzigt, ten dezen opzigte, voor Nederland akelig — fchrikverbaazend !

Honderd en twintig jaaren wachtte wel Gods langmoedigheid en verfchoonde de oude wereld. No ach, de prediker der gerechtigheid, de leeraar en het voorbeeld van elke deugd , riep , waarfchouwde, vermaande en badt te vergeefs, tot dat de Zondvloed kwam, en allen, die hem niet wilden hooren, door 't water deedt omkomen —— Lang genoeg duurde de dartele moedwil der burgeren van Sodom en Gomorra; lang genoeg dreeven zij den fpot met de zonde; lang genoeg moest de rechtvaardige loth zijne rechtvaardige ziel, dag op dag kwellen, door het zien en hooren van hunne óngerechtige werken; (*)tot dat het vuur van den hemel uitgegoten en alle hunne heerlijkheid tot asfche verteerd wierdt. — Lang genoeg trotfeerde en zondigde Babel, Tyrus, Sidotren zelfs Ninive na haare bekeering tot God: maar alle deze prachtige, deze bijna onmeetbare koningliike lieden, die aller menfchen magt en list, jaden tijd zeiven als fcheenen te trotfeeren, zijn nu met alle haare ontelbaare inwooners, met alle haare onbefchrijflijke heerlijkheid verdweenen: — deze zetels aller ondeugden, en aller gruwelen der aarde, zijn van de aarde en van de rotfen, waar op zij (Tonden, ali weggeveegd , en zo geheel verwoest geworden, dat men 'er nauwlijks zelfs een fpoor van vinden kan: wilde dieren woonen aldaar; ftruisfen en fchrikkelijke gedierten huppelen aldaar; uilen en draaken hebben daar hunne wooning gevestigd. Hier zal de Arabier geen tente meer ('pannen; de herders zullen daar niet meer legeren , en men zal 'er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, (f) Lang genoeg roemden'de verblinde Joden op hunne afkomst van abraham; lang genoeg riepen zij zich vol zorg. loosheid toe: des Heeren tempel! des Heeren tempel! des

' Hee-

(.*) 2 Pet. II: 7, 8.

WJ'fi XIII: 20-22. Jtrein. L: 39.

Sluiten