Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

godloosheden, gij hebt niet gewild! —- Getuigen de vloeken, de openbare lasteringen van God en onzen naasten, waar van onze flraaten en huizen weergalmen. -— Getuigen de openlijke hoererijen —— en — laat ik het zeggen, Groeten , Aanzienlijken houden het voor een punt van welleevenheid, met vreemde vrouwen te boeleeren — en hunne éigene aan den wellust van anderen over te geven, of liever met vermaak hoeren te zien worden. — Dit is eene hoofdzonde in Nederland — en die alle Leeraars, willen ze geen ftommen honden gelijk zijn, niet genoeg in haare gruwelijkheid en ijslijke gevolgen kunnen ten toone ftellen. —— Kortom, door wellust en weelde is dit geflagt zo verzwakt, bedorven, ontaard, dat wij noch in onze gefialten — noch in onze zeden, noch in onze daaden naar onze vroome

Voorvaderen gelijken. Wij — die Christenen heeten ,

hebben zo ver de zedeleer van jesus christus verseten , dat de heidenen door hunne deugden ons overtreffen en meer dan wij Christenen fchijnen. Het is ntet mogelijk , dat God u altijd zal verfchoonen , zo gij geftadig wilt voordvaaren , zijne laugmoedigheid te trotfeeren. Het is niet mogelijk, dat hij, die zijn geliefd volk, die de natuur' lijke takken niet verfchoond heeft , u altijd zal verfchoonen, wanneer gij den rijkdom zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en langmoedigheid voordaan veragt , niet wetende , en niet willende weten , dat de goedertie* renheid Gods u tot bekeering leidt. M— Neen, naar uwe hardigheid en uw' onbekcerlijk harte vergadert gy u zeiven , zekerlijk , toorn als eenen fchat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods ; welke een1 iegelijk vergelden zal naar zijne werken ; — den genen, die twistgierig , en der waarheid ongchoorfaam , doch der ongerechtigheid gehoorj'aam zijn , zal verbolgenheid en toorn vergolden worden. (*)

Wie beeft —wie fiddert niet op dié gedachte: God gal yfaake oefenen over deze Godloozen! ó Mijn Vaderland 1 verbeeldt u, dat uwe grijzen en zuigelingen, uwe vrouwen, en uwe kinderen, met welke gij op uwen fchoot fpeelt; — dat gij uwe jongelingen , uwe knegten en dienstmaagden, uwe weduwen en weezen op de flraaten en in de huizen moet zien huilen, gebrek lijden — bebloed zien en ver.fmaghtenS — Laat het mij niet beleeven, ö mijn Vaden»

land»

(*) Jt#», W; 4-3,

Sluiten