Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 270 )

de Heere , Heere , zo ze eenen Zoon , of zo ze eene Dochter zouden bevrijden; zij zouden alleen hunne ziele door hunne gerechtigheid bevrijden. (*) Ja , al ftonden Moses en samuel voor mijn aangezigte, ora voor dit volk te bidden , zo zoude toch mijne ziele tot dit polk niet wezen (f).

Achl 'er is een tijd, wanneer niet alleen gebeden en traanen der heib.fte menfchen —— maar zelfs de traanen van jesus christus over eene ftad, of over een land, vrucht- en kragt-loos ter hunne behoudenis zijn zouden.

Neemt dit ter ooren, mijne Landgenooten! en laten deze woorden diep in uwe harten gaan! — Wilt ge het verbond met God maaken — u plegtig in zijnen dienst verbinden —. u met alle de uwen aan God opdragen — en wederom int uwe ongerechtigheden voordleeven — het getal uwer zonden vermeerderen en voor heel de wereld toonen, dat gij bondbrekers — dat gij meinëedigers zijt — blijft dan liever uit het huis des Heeren — zegt dan liever: dat ge den dienst van den Satan en der wereld boven den dienst van God verkiest en dat gij Gods oordeelen over u wilt verhaasten.

Dan neen — gij hebt betere gedachten — gij wilt als een éénig man het verbond op den aanftaanden bededag met God maaken — uwe beloften volbrengen en oprechtelijk

voor den Heere wandelen. — Nog roept u God nog

zendt hij u zijne knechten — nog bidden zij u van zijnent wege bij hel, hemel, dood en eeuwigheid — laar u met God verzoenen! bedenkt in dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient!... Ach! beziel mijne woorden, ö Gij, die voor mij bloedde! ach! geef mij uwe traanen, die gij rijk zijt aan innerlijke beweging, en een Ontfermer! geef mij uwe traanen over Jerufalem voor de zo aandoenlijke zielen, op dat ik ze, door mijne raadgevingen, in uwe opene armen levere , en verflagen van harte voor uwe voeten nederlegge ! ten einde zich de Rechtvaardigen op aarde, en de Engelen in den hemel met mij verblijden; verblijden over veelen die zich bekeerd hebben; verblijden, dat gij u tot God wendt, en berouw hebt van het kwaad, dat gij gedaan hebt.

ó Gij huisvaders en huismoeders, gij jongelingen en maagden, gij handwerkslieden en daglooners, gij knechten

tn

{•) Ezeth. XIV: 15—17, 19, 20. t) Jircm. XV: r.

Sluiten