Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 280 )

hunne 'fterfbedden zoo nitermaten vrolijk waren ■. . om dat ze de Engelen reeds zagen —— het gezang der En- . gelen reeds hoorden?

blankhart. Ik voor mij geloof 'er van 1 nu dat : hunne Iterke begeerte de verbeelding te fterk heeft gaande 1

gemaakt ■ en dat ze waarlijk niets hoorden , niets

Zagen. — blankhart begeert niets te zien, zoo lang

hij gelooven moet ■ hij bidt dagelijks God , dat hij

mag gelooven , zoo lang hij hier is, dat de Heer hem op zijn fterf bedde eene ftille bedaardheid wil fchenken, Zijn geloof wil doen leevendig zijn , en dat hij met dat geloof, als met een' fterken ftaf, mag wandelen door het dal van de fchaduwe des doods.

ik. Gij zijt dan ook niet bevreesd voor de aanvechtingen des Duivels in de laatfte oogenblikken ?

blankhart. — Neen Vriend! de Duivel zal dan blankhart wel in vrede laten — zijn goede hemelfche Vader zal hem dan door geen Duivel laten benauwen — en i in allen gevalle, ik ben over alle vijanden door jësus overwinnaar! Dat zegt mij het euangelie en daar ' aan zal ik mij vast houden. ■ ik. Op dat enangelie zult ge vrolijk fterverj.

blankhart. Ik blijf lijdzaam wachten — geve mij ge- • heel over aan hst geleide van mijnen Vader — die weet het beste uur van mijn fterven — dagelijks zing ik :

Sic wtll tcl> ganjlicfj micö tt&üwt,

2>ir, fcefen tigentvum tcb btn; 35ij» cu, mein $tilctn», nut mcin leben,

®o bleibt felbjt fterben mein (Seminn.

Scb lebe 2)tt, idj fterbe Die;

©et; nut mein Stoft, fo gnuget mie.

IK. Vaarwel — waarde grijsaard! u hoop ik na te volgen* Te Amfterdam, bij M. de B RU IJ N, in de Warmoesltraat.

Sluiten