Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veelen onder ons Christenen hebben dus zeer verkeerde denkbeelden van deze rechtvaardiging des Zondaar* — men verbeeldt zich een gefpannen Vierfchaar in den hemel zo dikwerf'er een zondaar gerechtvaardigd wordt; daar d'e vrijfpraak reeds daar is, en wij die geloovig maar moeten aannemen en ons toeëigenen. —. Ook heeft men het geloof, als de oorzaak onzer rechtvaardiging, befchouwt; eerst moet men gelooven , Zat men gerechtvaardigd Worden ; daar , volgends de leer des Bijbels, God het is , die ons rechtvaardigt, of rechtvaardig maakt, en wij om niet gerechtvaardigd worden , uit zijne genade , door de verlosfing die in christus jesus is. (*) -*-*»-Waar uit ten duidelijkften blijkt, dat God door niets is bewogen om zondaren te rechtvaardigen , zijnde het loutere genade, loutere liefde, dat hij zijnen Zoon als Verzoener overgeeft, en het dus doet , om de gerechtigheid van eenen Godmensch.

De fpreekwijs, dat God rechtvaardigt den genen, die uit het geloof van jesus is, moet volgends de leer

des Ct) euangeliums verklaard worden. Zij zegt

niet anders , dan dat God die rechtvaardigheid, welke uit God in christus is, niet toepast aan hun, die werken der wet doen , en daar door willen gerechtvaardigd worden bij God; maar alleen aan hun , die uit den aeloove zijn , alzo dezen alleen de toegerekende en gefchonken gave der rechtvaardiging , door het geloof m tesus christus, ontvangen en aannemen , en zij dus de eenigen zijn , die in de bezitting daar van geraaken.

; En hier door zullen wij verdaan het gezegde van

paulus, wij dan gerechtvaardigd zijnde door het ge* loof hebben vrede bij God door onzen Heere jesus christus. (§) Die weldaad, door God in christus bereid, vinden we in de godlijke beloften. — Zodra wij deze , te weten, de gerechtigheid van christus door het geloof aannemen en ons toeëigenen , dan weten wij , uit kragt van de godlijke verklaring, dat de gerechtigheid van christus onze gerechtigheid voor God is, en dat dus onze zonden vergeven en wij weder

ia

CO Ho*-- ÏH: 24. (t) Rom. Hl 26. ■ CS) Ram. V: 1.

Nn 2

Sluiten