Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C sop )

zwavelregen is hem een beeld'van den ondergang, waar toe Idumaa hem moest brengen. Met Trogloditen en derzelver zeden is hij zo volmaakt bekend (*) als of hij bij hen te huis was.— Uit dit alles blijkt, .— dat dit boek veel ouder is, dan die van moses, dat de fclirjver zich in Arabien bij Idumaa gevormd heeft — die echter een

gebooren Hebreër geweest is. Deze laatfte gedachte

woidt aanneemlijk , wanneer wij vasiftellen dat het boek van job zekerlijk in het Hebreeuwsch is gefchreven , en naar geene Overzetting uit het Arabisch of Syrisch gelijke. Voor eene overzetting is de taal veel te öngedrongen;' defpreuken zijn veel te fpits , 'de uitdrukking veel te vol , rond en harmonisch. — Zijne taal, wel is waar, neigt, naar het Arabisch , zijne Dichtkunde is die der Arabie* ren en zijne verbeelding vol van Arabien. — Maar kan een Hebreeuwsch Dichter niet in Arabien geleefd en zich daar gevormd hebben? In dit geval heeft zijn Hebreeuw fche ftijl ongemerkt een Arabisch kleurtjen moeten aannemen , of liever , de Hebre'êr al lieverlede een Arabier worden.

De Heer de perponcher, die wegens zijnen arbeid voor de Kerk agting verdient-, fchrijft in (f-) zijne l-ro*rrede voor zijne vertaalde nieuwe Overzetting van het boek jobs , door MiCHAè'Lis: „ Wat de Oudheid des

boeks aanbelangt, dezelve blijkt daar uit , dar men 'er „ alle de zeden en gewoonten van abrahams eerfte nr.„ komelingen , de oude Israëli ten, Ismaëliten en Idumeërs „ in wedervindt. Dus wordt God in het zelve bij den „ Geel of bloédwreeker vergeleken, die jobs lichaam, „ als dat van zijnen nabeftaanden, volgends het toenmaals' „ zo bekende recht des bloedwreekers, van de aarde zon „ te rug eifchen-; dus vindt men 'er ook de gastvrijheid , ,, als de grootfte deugd voorgefteld ; het gericht aan 'de „ poorten der fteden gehouden, daar ook de voomaauifbrn „ bijeenkomen ; andere offeranden gebragt, dan na de „wetgeving van moses hadt moeten gefchieden; dié ,f wéldaadige gewoonte aangeprezen , dat men den genen, j, die zijnen meester eeten en drinken bereid , niet moet „ beletten iet daar van te nuttigen, 't welk federt aan

„ M O-

(0 Job XXX: 1 enz, (O bl. 33, 34. •

3

Sluiten