Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 310 )

moses gelegenheid gaf te bevelen , dat men den dor" fchc-nden os niet zou muilbanden, enz."

Aanmerkelijk, is het intusfchen, dat abraham, isaak en jacob aan den fchrijver geheel onbekend fchijnen tezijn, en dit heeft niemeier, (*) en voor hem reeds andere geleerden, doen vermoeden, dat dit boek uit het huisgezin van nahor af komftig was; maat Idumaa , in het zelve zigtbaar overal de fcbouwplaats zijnde, waar de nakomelingen van nahor niet gewoond hebben, vervalt deze gedachte. Zelfs het Uz der Naboriten, het welk bochart meende gevonden te hebben , is eene loutere gisting.

Om dat men veele Egyptifcke beelden insgelijks in dit boek aantreft , hebben fpmmigen vermoed, dat moses, onder de oude afftammelingen van abraham geöoren, in Egypte opgevoed, en geduurende zijne vlugt naar Midian m Arabien woonagtig, veelligt de Oplteller van dat boek zoude ceweest zijn — welk vermoeden men door den inhoud des boeks, als toepasfelijk op de toenmaahge omftandigheden der Israëliten , tracht te verfterken. —— Maar daar toe kunnen wij altans niet overhellen, alzo de poè'zij van job en moses als Oost en West uit elfender ftaan — 5, jobs poëzij, zegt herder, is geheel kort, zinrijk, fterf:, heldhaftig, altijd op het hoogfte punt des voordragts en der fchildering. Die van moses is zelfs op de verhevenfte plaatzen vloeiender, zachter; ja zelfs die ftijl en wijze van beelden te plaatzen, welke aan moses eigen zijn, vindt men in <lit boek met. De ftem die hier geboord wordt, is rauw en afgebroken tusfchen de rotzen door, en kan zich onmogelijk in het vlak en effen Egyptw geformeerd hebbenj — job is zo vol. huisvaderlijke en gerichterlijke fchilderingen van Oosterfche Emirs , welke hij ook op God overbrengt, dat men wel ziet, in welken oord hij geboren en opgevoed is» van zulke vertooningen zag moses niets in Egypte, en «•een zijner voorvaderen was zulk een Oostersch Vorst

ceweest.;" Eindelijk befluit deze Geleerde : (f) „ Ik

f, volge het oudfte berigt, dat wij van dit boek hebben,

„ het ;

r*) Charabïcrktmdc des Bijbels I. D. bl. 568.

(tJ Oyer de HeWccuwfche poëitj , I. St. 18a — IE».

Sluiten