Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 311 )

bet is U cle overzetting der Zeventigen gevoegd en " luid aldus: Dit boek is uit het Syrisch (uit een hand-

fchrift met Syrifche letters) overgezet. In het landfchap " Hufois aan de grenzen van Idumaa en Arabte, heeft

fof geleefd. Zijn naam was Jobab hij tornde van

vaders kant uit de kinderen van Efau, de vijfde van " Abraham. De Koningen van Edom namelijk waren " Rnlak. de zoon van Beer, Jobab, die Job genaamd " word enz. De vrienden, die tot hem kwamen, waren " Fliphas, de Edomiet , Vorst van Theman , Baldad, . Emir van Suah, Zophar , Koning der Minters.

Geheel uit de lucht gevallen, is dit berigt niet. —— Om de bovengemelde redenen kunnen wij herders gedachten over de vertaaling van dit ftuk niet toeftemmen, ook is het berigt, waar van hij gewaagt, een duisterhng. offchoon zijne redenen genoegzaam zijn, dat moses de Opfteller van dit boek niet geweest is.

De Oudheid van dit boek, boven de boeken van moses ftrekkende, is dan uit het aangevoerde genoegzaam op te maaken: alleen voegen wij 'er nu nog bij: dat de Schrijver met de Patriarchen der eerfte wereld altans moet bekend geweest zijn, ten miniton is hij met de overleveringen der eerfte wereld gemeenfaam; in zijne gedichten ftaan de oorfpronglijke denkbeelden van den mensch en de fchepping, zo als bij geen Oostersch gedacht, beha!ven het Hebreeuwfche, in zwang waren. De voorftellmg bij voorbeeld van den mensch is zuiver Israëlitisch , en gegrond op aloude overleveringen en gezegden der Vaderen; dat hij van leem gevormd is, en weder tot aarde moet worden, (*) of dat de adem Gods den mensch levend maakt (t) en dergelijken meer.

Men heeft nogthands , om dit boek jonger te maaken, moses als Autheur van het zelve opgeworpen , en wel om dat zo veele Egyptifche beelden hier met de Arabifche vereenigd ziin. ' En waarlijk het Boek heeft veele Eswtirche beelden. Het fpreekt van de eilanden der dooden (IX: a6. XI: 17. XXIV: 18, 19O h« Jen» den Krokodil, CXL: 20—28.) het Nijlpaard of Behemoth, (XL:

ioCO Job X: 9. verg. Gen. II, III.

Civ jf«b XXVII: 3*verfr Gin' "

Sluiten