Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3=2 )

geboden heb, — en ziet, ik ben met u alle de dagen tot de voleinding der wereld. Hoe na liggen hem de zie¬

len van zondaren aan het hajt! Hoe brandend zijn zijne wenfchen, om hen te behouden en met zich op te nemen in den hemel zijner heerlijkheid ! — Het medelijdig oog zijner Alwetenheid ziet met innigen weemoed geheele fchaaren van menfchen, geheele volken in de donkerde fchaduwen des doods zitten, over welken de zwarte nagt der onwetenheid zijne vaale wieken heeft uitgebreid,geheele volken,die niets weten van het verfchrikkelijk gevaar, waar in zij verkeeren, — niets van het gruwelijke hunner zonden, — niets

van de affchuwelijkheid van hunnen afgodsdienst . niets

van de fchandeüjkheid van hun ongeloof, niets van

de heilfaamfte middelen hunner verlosfing, — zij dwaalen als fchaapen, die geeuen herder hebben.

Ach! met traanende oogen ziet hij hen — zijn hart klopt van erbarming —- zijn boezem zwoegt van innige ontferming. Welk een Menfchenvriend ! ,, Gaat heen, zegt hij „ tot zijne Gezanten, in de geheele wereld! weest gij mij„ ne getuigen tot aan het uiterfle der aarde! ik bind u de „ zielen mijner verloste kinderen fterk op uw geweten, be,, mint hen als uwe broeders en zusters, bemint hen, ge,, lijk ik ze bemind heb, vervult hunne wenfchen, voldoet „ aan hunne begeerten! —— maar fnel moeten ook uwe ,, voeten zijn, om te zoeken het geen verloren is! zoekt de „ zwervende kudden op , die geenen herder hebben , die j, hen weidt, — kudden, die mij nog niet kennen, die ,, in het grootfle gevaar omdoolen om eeuwig verloren te

„ gaan, ■ predikt hun het euangelie der behoudenis,

„ lokt hen, nodigt hen, bidt en fmeekt hen, dat zij het-

„ zelve gelooven! zegt hun, hoe mijn liefderijk hart

„ zich over hen bekommert, hoe na hunne zielen mij aan „ het hart liggen! drukt hun op het gemoed, hoe vervaar„ lijk hunne toeftand is, hoe diep betreurenswaardig , hoe „ verfchrikkelijk hunne omftandigheden zijn ! fpreekt hart„ roerend van de oneindige Liefde mijns Vaders jegens „ hen; toont hun het Godlijke, het verhevene, het tede„ re, het aanminnige, het uitlokkende van dezelve! roept „ hun in het hart: God heeft zijnen eigen Zoon niet gefpaard, „ maar Hem overgegeven voor zondaaren! predikt hun, op „ eene hartovertuigende wijze, mijne vernederende mensch» „ wording, —- mijne ontfermende zondaars-min, die mij

„ traa-

Sluiten