Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 324 5

flaauwcnde luister van de prachtige opvaard wordt nog eea Weinig gezien — de rollende klanken van het engelengejuich worden nog een weinig gehoord — en eindelijk wordt het oog en het oor hun voorwerp benomen — jesus ten hemel! — de znalen des Hemels weérgalmen van het tri» umfgezang der juichende chooren — de verheerlijkte Heiland beklimt zijnen troon, aan de rechtehand des Vaders — hoe fchittert de rijksfroel van den gloriekoning ! — Hij zwaait zijnen Scepter over Engelen en Zaligen! — zijn vriendelijke tajl verdubb. lt h.inne vreugde — zij vallen voor zijn eorzttci neder — aanbidden en danken — verheffen hunne liederen, en zingen op toonen, die fteeds hooger rijzen ; „ Triumf! Halleluja! — jesus in den hemel! — God is ,, bevredigd! — De mensch is behouden! — De fatan ge„ kluisterd! — Triumf! Halleluja!"

Welk een onderfchdd tusfchen zijn lot. en dat der grooten dezer wereld! De blinkend? gefchiedenis van de koningen der aarde en de wereld - vorften mag nog zo veele groothu'd bevatten, zij houdt echter daar op, waar de gefchiedenis van den geringften des volks — ja daar, waar de gefchiedenis van alle anderen , en ook van de grootlle fterflijketi ophoudt — bij den dood en het graf— daar vangt de uwe, ógii groote en godlijke Leevensvorst, eerst recht aan! Dood en opftanding zijn bij u maar tusfchengcbeurdtenisfen. Geboorte en Hemelvaard zijn de beide grenslijnen, alwaar zich uw aardfche leven van het hemelfche fcheiüt, 't welk gij bij den Vader hadt, eerde wereld was, en behouden zult, wanneer hemel en aaroe vergaan. — „ Zij zullen vergaan, ,, maar gij zult ftaande blijven: zij zullen als een kleed ver„ ouden, gij zultze veranderen als een gewaad — maar gij ,, zijt dezelve, en uwe jaaren zullen niet geëindigd „ worden! "

Het laatfte van de grooten dezer wereld is val en onmagr. „ Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, gij morgenfter! gij ,, zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergeftort, „ gij die de volken krenktetien zeidet in uw hart: ik wil in „ den hemel opklimmen, en mijnen zetel boven de fterren „ Gods verheffen. Ik wil boven de hoogften der wolken „ klimmen! Ik wil den Allerhoogften gelijk worden! ——. „ Maar in de helle zult gij neêrgeftoten worden, aan de „ zijden van den kuil. Die u zien, zullen u aanfehouwen,

Sluiten