Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(. 325 )

„ zij zullen op u letten en zeggen: is dat die man, die de „ aarde beroerde ? die de koningrijken deed beeven ? De „ dooden zullen u andwoorden en zeggen : gij zijt ook „ krank geworden, gelijk wij,.gij zijt ons gelijk geworden. „ Uwe hovaardij is in de helle nedergeftort , met het ge= ,, klank uwer luiten,; de marien zullen onder u geftrooid

,, worden, en de wormen zuhen u bedekken." (?) .

Zo neemt bet een einde met de hovaardigen en geweldigen op aarde. Maar zoo eindigt niet uwe grootheid, magt en

leven, ó Koning der eeuwigheid! Die hebben zich*

zelven verhoogt; daarom worden zij vernederd. Hij heeft zich-zelf vernederd; daarom wordt hij boven alle hemelen verhoogd. Hem waren alle koningrijken der wereld en hunne heerlijkheid niet zoo dierbaar als dat: gij zult den Heere uwen God aanbidden en hem alleen dienen; daarom komt het nu zoo, dat alle de koningrijken der wereld Gods en zijns gezalfden worden. Hij zeide: mijn koningrijk is niet van deze wereid,en werdt om onzent wille arm,terwijl hij rijk was — daarom werdt hem alle magt in hemel en op aarde gegeven. „ Hij heeft zich-zelven vernietigd, de ge„ ftalte eens dienstknechts aannemende, is den mensch ge„ lijk geworden; en,in gedaante gevonden als een menschj „ heeft hij zich-zelven vernederd, gehoorfaam geworden „ zijnde tot den dood , ja tot den dood des kruifes. Daar,, om heeft God hem ook verhoogd, en hem eenen naam „ gegeven, boven alle naamen; op dat in den naam van „ jesus zich zouden buigen alle knieën der genen, die in „ den hemel zijn, en die op aarde, en die order de aarde „ zijn; en alle tongen zouden belijden: dat jesus chris,, tus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods en des Vaders.

Een wolk nam jesus weg voar de oogen van zijne lievelingen. .. Reeds was jesus in den hemel, en tiog volgen de oogen, de gedachten, de harten dar discipelen hem na. — ó, mijne Medechristenen! zweeft dus met harten geest uwen opvarenden Heiland na tot in de gewesten van lxht en volmaaktheid. „ ó Heere! mijn God! gij zijt zeer „ groot, gij zijt bekleed met majefteit en heerlijkheid! Hij „ bedekt zich met het licht als met een kleed; hij rekt den „ hemel uit als een gordijn. Hij zoldert zijne opperzaalen „ in de wateren. Hij maakt van de wolken zijnen wagen. „ Hij wandelt op de vleugelen des winds. Gods wagenen

» zijn

O M- xiv.

Ss 3

Sluiten