Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 33Ü )

dicht, dat de menfchen in 't begin ruuw waren , en door woeste oflbefchaafdheid weinig verfchiiden van de ruuvvheid van het wild gedierte. Zij verhaalt, dat men niet leefde van dergelijke fpijs, als wij, maar dat men zich voedde met eikels en bezijen, en laat naderhand eerst begon te denken om het bereiden van den akker. Zodanig was het begin der dingen en van het menfchelijk geflagt; zo dat wij gelooven, dat 'er eerst gouden eeuwen waren, terwijl de volgende, wanneer de natuur allengs ontaartte, door ijzer en Haal, bedorven werden." — Maar, zegt gij, Lezer, o fchoone eeuw van goud! of liever van den eikel!

ó Hoe zwak zijn de begrippen van de verlichtfte der heidenen , omtrent 's werelds vroegften ugtendftond. Wat zijn ïoch deze gedagten, over den droom van scipio,zelve an. ders dan losfe droomen! Immers gelijken zij hier beter na, dan de eerfte menfchen naar het vee.

Ln fchoon hij nog, een weinig verder, iet meerder zeggen wil, te lang om hier te melden, (*) ftemt hij nogtans zoo min met zichzelven, als met de waarheid, welke wij uit zuiverer bronnen fcheppen, genoegzaam overeen. Vooral verdient het echter onze opmerking, dat hij daar den naam van goud aan de eerfte eeuwen geeft, wegens hunne eenvouwigheid , welke zich geens kwaads bewust was , en geen loosheid kende. Wij zien intusfchen zoo veel uit zijne duistere redeneeringen, dat de wijzen der heidenen zelve den oorfprong van het denkbeeld der gulden eeuwen zogten in den vroegen dageraad der onbedorven natuur, en in derzelver allerdiepfte eeuvouwigbeid van levenswijs en zeden. En hij voegt 'er niet onaartig bij, „ dat, hoe meer het gebruik derkunften en van andere zaken de bcfchaaving bevoorderr, de naijver zoo veel te ligter de gemoederen bekruipt, welke wel eerst goed begint, maar dra heimelijk overllaat tot nijd, en hieruit, zegt hij, ontftaat het alles, wat het menschdora in volgende eenwen ondervindt." Zag men dan nieuwe gulden eeuwen met verlangen te gemoet, of verbeeldde men zich dezelven te zien verfchijnen, zoo dagt men aan die gelukkige tijden , welke men zich voorftelde van den oorIpronglijken ftaat der zaken. 1 ■' '"'» Ltetatar terra, reverfo Numine, quod pri/'ci post tempora perMdit aart.

Gelijk dichter clau dia nu s , met een korter en treffen.der toon zong, (f)

£') iüm, pi 150. Q) Bij pontanus in notis ad L e.

Sluiten