Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 339 )

Het aardrijk zag weleer de souden eeuw verdwijnen Bij 't wijken van de Godn,~ en lag van druk ie kwijnen , Maar juicht op nieuw van vreugd, zijn heilzon daagt weer op, De Godheid, weergekeerd, voert zijn geluk ten top.

Overfchoon is het uitvoerig tafereel van virgilius, in z'jn geboorte-lied, waarmede hij den zoon van pollio, burgemeester van Rome, kwam begroeten. Laat ons eenige verfen, daaruit overnemen, zo als zij door joost van vondel in oud Hoilancsch gewaad zijn uitgedoscht.

Nu naeckt de leste tijd. waar van de Strant - Sibijl Te Kuma fpelde. Nu komt, zonder lant-gefchil, En Jtrijt, een lange rif Van eeuwen aangetogen, Saturnus eeuw, en maeght Astrea komt gevlogen.

Verdrijf deze ijzere eeuw, fluit vreedzaam d'oorloghs poortel Zen gulden tijd verrijst alom langs deze baan.

Dan zal geen kudde voor de groote leeuwen fckricken,;^

Dl flatig zal kwijnen, en het moortvenijn vergaen. Dan zal de Asfyrfche roos op alle velden Jlaen.

Zo dra gij rieckt, wat deugd en eer daer boven geldt,

Zil d'edle korendir allengs het korenvelt

Vergulden, en de druif, zo b'.acuw en rijp geboren.,

Afhangen van de nooit befnoeide liagedoren.

De harde en heilige eick zweet zoeten lionighdouw.

Men zal 'er evenwel bedrog Ir-, verdert van trou,

Zijn oude flappen noch hier onder zien vermengen*

Dat hij niet J'chrick 't gevaer te water uit te jlaen,

De fteden met een muur te ftereken, ackers oen

Te grijpen net den ploegh: dan zal men op de baerep

Een tweeden Tifijs zien verrijzen, om te vaeren.

Met eene twede kiel, en Argo, rijk bevracht,

Riet allen helden ■ bloem, om Kolchis gouden vaclit

Te winnen : —— -

Wanneer gij eindelijk uw manbre jaeren krijght,

Dan flaeckt de zeeman flux het vaeren: ieder zwijght

Van vaeren : geene kiel vermangelt heure waeren,

En (Toerde baert alom al wat ze plagh te baeren.

Men hoeft geen lant noch klaij dan i'eggen, geene ranck

Te fnoejen, a'ackerman ontflagen fpant eerlangk

De jlieren uit den ploeg. Alen hoeft geen wol te doopert

In allerhande verf. De rammen, daar ze loopen

En weiden, decken zich met vachten milt van geur,

En fchoone oranjeverwe en gloeiend purperkleur.

Waer berg en dal alom de vette lammers azen,

Zal ,t berghropt hunnen rugh bekleeden onder *t grazen,

O fpillen, vaert al voort en fpint ons zulke tijden,

0 üeyt fpruit ———

Yv a 4cg?

Sluiten