Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 35i )

zien dat is , een grooter doorzigt hebben in de geheimen 'zims Koningrijks dan de geloovigen onder het Oude Testamêrt (*) Ouden zouden droomen droomen , God 7ou hen onder droomen zijne verborgenheden bekend maaken; doelende hier op misfchien jeremia in dit gezegde : de Profeet , bH welken een drojm is, die vertelle dien droom , en bij welken mijn woord is , die fpreke Zin woord waarachtig Ct> — Ook zegt de Heere door deze belofte aan zijne Kerk toe de ophoudmg van alle onderfcheid. Het grooter verfcheel in voorrechten tusfchen mannen ert vrouwen zoude nu een einde nemen, zoonen en dochteren zouden een gelijk deel ontvanger, , als zijnde allen één in christus — Oude heden zou men niet meer onbekwaam oordeelen voor den Geest der

voorzegging yrijgeboornen niet meer boven diens»

haaren(rellen . want ook dezen zouden den Geest ontvangen en profeteren.

De vervulling van deze voorzegging begon men nu, 00 dezen gedenkwaardigen Pinkfterciag, reeds aanvankelijk te zien. Dè 120 perfonen , waar van in het 15de vs. des eerften Hoofddeels gefproken wordt, (trekken daarvan tot zigtbre getuigen; en weldra zag men dezelve in haare tiireeltrekdieid. — De Heidenen werden dien Geest deelachtig dit zag men at fpoedig in den Hoofdman cc r-

Nelius en de zijnen. Zomen en lonae Doeneren

werden niet misgedeetd ; een jonge timotheus en titus' zijn beiden door dien Geest m de fchntten onderwezen; ook'leefde die Geest van christus zigtoaar in Inge Dochters. De vier Dochters van fI lip pus profe-

{eefden - Ta de Geest Gods W*S toen W de jonge

Dochters dermaten werkzaam , dat ze te midden van de martel vlammen liederen zongen ter eere van haaren Bondcod Chrysostomus vraagde uit dien hootde , den Duivel al fchimpende : „ Of hij niet wist, hoe dikwijls een jong Maagdeken fterkcr w?s bevonden dan nzer, " wier Zijde werdt doorgefiieden , maar haar geloof met " af efneden ? " — Dat verfcheiden mannen en vrouwen dien "Geest ontvingen, weten allen, die de Handelingen

der

(*> "ere. Jer. XXXI: 34. (t) fer. XXdl: a».

Sluiten