Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 365 )

ais van het woord (*) dierhaiven is deze de natuurlijke en eenvoudige zin der woorden: „ na welken (jesus in zij» „ ne openbaaring) (t) (hoewei Gij tegenwoordig ook in

dit opzigt, leeft door het geloof en niet door aanfchou„ wen) Gij uitziet, — verlangt met eene onuitfpreeklijke ,, en heerlijke vreugde." —

Hoe juist ftrookt dit vers nu ook niet met de geheele re. deneering van petrus. Hij vertroostte de Christenen , aan welken Hij fchreef, met de kortltondigheid der verdrukkingen, welken zij vooral in dien tijd 'ondergingen.

Wij bidden onze Lezers zelve het verband nauwkeurig te bezien. .

Wij willen liever nog eenige oogenblikken befteeden om de woorden van petrus nuttig te maaken.

Het is van nadruk, dat hij van de Christenen fchrijft, dat zij, fchoon jesus niet kennende, hcni beminden. . Veel verhevener was hier door hun character, dan dat van hun , die Hem enkel beminden om dat zij de beste gelegenheid gehad hadden hem te kennen. Wie herinnert zich hier niet het zeggen van den Heere jesus: „ Om dat Gij „ mij gezien hebt, thomas! zo hebt Gij gelooft, zalig „ zijn ze, dieniet zullen gezien hebben en nogtans zullen „ geloofd hebben." (§)

In het bijzonder — ten tweden — rekent de Apostel setrus het den Christenen tot eer , dat zij geloofden zonder aanfehouwen. Indien men deze woorden op het zien van — en gelooven in — den Heere jesus moest toepaslijk maaken , zouden zij immers in de zaak niet verfchillen van het eerfte lid van het vers, alwaar petrus fchreef, dat zij jesus niet kenden en hem evenwel beminden., — Niet ziende maar gelovende is dierhaiven betreklijk op het geen, waar naar de Christen verlangend uitzag. — Deze is dierhaiven de zin der woorden: „ Of„ fchoon Gij niets ziet van de openbaring van jesus „ christus — van de zaligheid die bereid is om geo„ penbaard te worden in den laatften tijd, evenwel gelooft ,, Gij derzelver zekerheid." — Juist dit maakt het gelukkig leven van den Christen uit, gelijk wij van paulus

hoorden, dat Hij zich ook zoo uitgedrukt heeft. (*) «•

Het

£•) Est verlum deflderativum, r. Elsner Ohf. S. in Joh. VIII: 56.

(■(■) Van dien wordt in net velband gelprooken. —

(§) JoS». XX: 29. CO a Cor. \i 7.

Zz s

Sluiten