Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 366)

Het is alleen het geloof, waar door de Christen zich

'ecw.vig geluk, toezegt. —— Hier van ziet hij niets i

noch de plaats — noch het gezelfchap, noch het genot, *t welk men daar heelt. tiet is hem alles even onbekend Het is zelfs niet eens geopenbaard, wat wij zijn

zullen. Zoo "erre is het 'er van af, dat men'er iets van, zou hehben gezien. ——— Vooral is het niet anders , dan het geloof, waar door de Christen met verlangen uitziet naar Jesus komst. — Dat Hij voor dien jesus niet te vreezen zal hebben, weet Hii alleen door het geloof. Dat de verfchijning van dien jksus hem heil zal aanbrengen, leert hem alleen ziin geloof —

Dit te gelooven Itrekte den Christen zoo veel te meer tot eer, daar alles hem ongeluk fcheen te voorfpellen, indien

Hij vleesch en bloed raadpleegde. Hoe menigvuldig

toch waren niet de verdrukkingen , welken hij ondergaan moest. Alles fcheen faamgezworen te hebben om hem ongelukkig te maaken. Alles, altans wat hij zag , was hem vijand, en evenwel het geloof deed hem vasthouden aan God — aan den Heere jesus, en zijne verfchijning.

Edel geloof — edele Christen ! Van zulk eenen

aart is het geloof: ,, Het is een vaste grond der dingen, „ die men hoopt en een bewijs der zaken , die men niet

., ziet " (*) Het geloof doet ook wonderen.

Door het geloof (onder anderen) heeft moses, groot ge» worden zijnde, geweigerd een zoon van pharao's doch»

ter genaamd te worden, (f) Het geloof, dan —

Christen ! zij uw voornaamlte fieraad!

En — getuit!,! petrus, dat de Christen met blijdfchap.

uitziet, ja ! zelfs verlangt naar jesus komst uit be-

ftaan van den Christen is wel waardig, dat wij het van nabij biciM.

Zou de Christen niet met blijdfchap de komst van zijnen j t sus te gemoet zien ? Hij heeft immers geen

rede, hoe genaamd, om voor die verfchijning te vreefent . Hoe — komt zijn jesus bij den dood — 0) in den jong/len dag — Zijn vriend komt !• —— En — dat wel om hem eindeloos van alle ongelukken te verlosten en daar voor te beveiligen, ja! om hem een deelgenoot te maaken

van alle geluk , van alle heil, van allen zegen. Laat

de zpndaar dan vreezen —- laat die beeven _ daar zijn

ge.

O Hebr. XI: 1. CtJ fleir. XI: 24.

Sluiten