Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r8c> De Heerlijkheid van Christus, als

Dit zal blijken, als wij in 't oog houden, dat Christus God en Mensch was door aanneeming van de Menfchelijke Natuur in de volheid des tijds. Mij was de Emmanuel, cf God met ons: Hij was God geöpenbaart in 't Vleesch. Hij was dat woord, die God was, dat Vleesch geworden is. Waarom onze Godgeleerden te regt ftaande houden, dat dezelfde Godheid des Vaders cn des Zoons [wezenlijk aangemerkt] in Christus woonde: lk ben in den Vader, (zegt onze Heiland) en de Vader is in mij. lk 'en de Vader zijn een (a~). Echter zoo lang Hij op aarde leefde, ftrekte de Godheid haare invloeden niet uit tot den hoogften trap, noch in kennis, kragt of gezag: want het Kind Jefus wies op in wijsheid, zoo wel als in geest En de Dag des Oordeels, dien de Vader wist, was ten dien tijde onbekcnt aan den Zoon (c)„ Zijne kennis was niet volkomen, en zijn gezag op aarde voor zijnen dood, geleek eer het gezag van eenen Profeet, dan van eenen Koning, in zijne jonge jaaren was Hij onderworpen aan de beveelen zijner Ouderen (7/). En toen Hij in de wee. reld verfcheen, was het als een Mensch van God gezonden, om zijnen wil te openbaaren, en dien te gehoerzaamen, of te volbrengen. Hij verklaarde, dat Hij geen Koning op Aarde was, dat is, geen tijdelijk Koning, want zijn Koningrijk was niet van deeze weereld. Hij betaalde fchatting aan den Keizer, Hij wilde geen

fcheids-

CO Jviïn. xiv: 10. en x: 30. C Luc. ii: 52. (O Mare. xiii: 32. fd) Lnc. ii: 51.

Sluiten