Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God en Mensch aangewezen, enz. 187

fcheidsman zijn tusfchen twistende Broederen over hunne erffenis fe; Hij had niets om het Hoofd op neder te leggen. De Mensch Je. fus leefde hier op aarde onder de Menfchen, en had geene volmaakte kennis, ook konde hij alle magt niet hebben.

II kt behaagde den Vader ingevolgcn de bepaling in het eeuwige Verbond , dat de Mensch Jefus bij trappen zou verhoogd worden. Ilec beding was, dat Hij de allerdiepite proeven van ootmoed en onderwerping aan God zou daar ftellcn, zoo wel als de allerverbazenddc oeffeningen van Liefde en Medelijden zou betoonen aan de Menfchen, en zich tot een zoenoffer te Hellen voor hunne zonden, en te derven aan het kruis, eer Hij de beloofde heerlijkheid zou verkrijgen. De Vader vond goed om Hem met de allerluisterrijkde Verhooging te begiftigen, als een' eigenlijken Loon wegens zijn Lijden en Verneedering, en deeze rijke belooning dan eerst te fchènken, als al dit werk zou volbragt zijn, ten einde dan op eens ten toon te fpreiden den luister zijner eigen Genade, Gerechtigheid en Waarheid in de verheerlijking van de Menfchelijke Natuur van zijnen Zoon Jefus, en op dat Hij een allergepast voorbeeld zijn zou voor allen zijne volgelingen.. Deeze leer is de draad, die door alle Bladzijden van het Oude en Nieuwe Testament doorloopt.

D us , toen Christus zijn werk voleindigt had, bad hij om de beloofde heerlijkheid. Jodn XVII: 5. Vader verheerlijkt uwen Zoon. Ik heb voleindigt het werk, dat gij mij te doen gegeven hebt. En wanneer Hij ten Hemel op voer, gezeten was aan de rechtehand Gods, toen wierd het in allen nadruk openbaar, dat

Hij,

Sluiten