Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

igo De Heerlijkheid van Christus, als

Middelaar Gods, en derMenfchen, <sfemensch Christus Jefus* Nu waaren hec meerendeels Middelaars heerlijkheden, welke Hij bij zijne verhooging ontving, cn gedeeltelijk met dit oogmerk, om het overige van zijn Middelaars werk te beter te vervullen, op dat de Mensch Jefus mogt heerfchcn over alle Natiën, en de weereld oordeelcn. Hand. XI: q6, 38. XVII: 3r.

4. Z tjn e Verhooging wordt ons in veele plaatfen voorgedragen als eene belooning van zijn Lijden en arbeid Jef LUI: 10, 12. Hij zal de magtigen als een Roof deelen, om dat Hij zijne ziele heeft uitgefort in den dood. Philip. II: 8 Hij heeft zich zeiven vernedert, en is gehoorzaam geworden tot den dood, daarom heeft hem God verhoogd Openb. V: 9 Gij Zijt waardig het Boek te nemen enz. want gij zijt gefagt, en hebt ons Gode gekogt^, enz. Nu zou het zeer oneigen zijn te zeggen, de Godlijke Natuur van Christus, of zijne inwoonende Hodheid is beloond, om dat zijne men» fchelijke Natuur geleden heeft, en geftorven is. De Godheid van Christus is eigenlijk niet vatbaar voor eene belooning van God den Vader, want beiden die Perfoonen bezitten het zelfde Goddelijk Wezen, en God kan eigenlijk in 't geheel niet beloond worden.

D*t bewijs wordt nog fterkcr, als men aanmerkt, dat zijne verhooging wegens zijn' arbeid en lijden, ons wordt voorgedragen als een onderpand cn voorbeeld van de verhooging, die wij op onzen arbeid en lijden te wagten hebben, ten einde ons in en onder dezelve aan te moedigen Nu kan dit niet anders zijn dan de verhooging zijner menfchelijke Natuur, in welke

Sluiten