Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ioa De Heerlijkheid van Christus, als

yen zegelen te openen, vers 6. Het Lam, dat geflagt is, hebbende [even Hoornen, en feyen oogen (welke zijn de [even Geesten Gods) kwam, en nam het Boek uit de Regterhand des geenen, die op den Troon zat, en heeft de zegelen daar van geöpent. Hier word de Menfchelijke Natuur van Christus, het Lam voorgedragen met onbekende kragten, te weeten feyen Hoornen en feven Oogen, welke zijn de feven Geesten Gods : De feven Hoornen konnen beteekenen, volkoomen magt, en de Seven Oogen volmaakte kennis \ en uit hoofde zijner verëeniging met de Godlijke Natuur kan dit influiten zijne magt om den Geest Gods uit te zenden, of zijne gaaVen en genaden uit te deelen. Hij opent het Boek der Goddelijke raadflagen, door welke de Kerk en alle Volken moeten bedien worden tot aan 't einde der weereld.

N u weet immers de Goddelijke Natuur van Christus alles, wat in- dat verzegeld Boek gefchreven is, maar na Christus lijden op aarde, wierd zijne Menfchelijke Natuur toegelaten tot dat voorrecht; en daar Hem magt gegeven was om de weereld te regeeren, was het ook noodig, dat Hij wist de Befluiten en raadflagen des Vaders, om zijne regeering daar naar in te rigten.

Merk ook op, dat Hij waardig was, en verklaard wierd, om het Boek te nemen, en zijne Zegelen te openen, om dat Hij was ge* f/agt, en zijne heiligen Gode gekogt had met zijn Bloed, vers o 't Was zekerlijk niet de Godheid, maar de Mensch Jefus, die geflagt was; cn het is de Mensch en niet de Godheid, welke uit dien hoofde waardig was om die

Boek

Sluiten