Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God en Mensch aangewezen, enz. 203

te zijn ,zoo lang onze Verlosfer in zijnen Verneederden Staat op Aarde was, fchijnt Hij in elk wonderwerk, dat Hij wrogt, meer dan mogelijk nu, gekeft te hebben in eene meer blijkbaare, geduurige, onmiddelijke cn daadelijke toekeer tot, en afhanging van de Godheid. Deeze afhangelijkheid wierd zomtijds blijkbaar aan detoezieners door het gebed tot Zijnen Vader, als Hij een wonderwerk kond te verrigten , gelijk in de opwekking van Lazarus uit den dooden: Hij zeide. Vader, ik danke u, dat gij mij verhoord hebt, cn terflond fprak Hij volgens zijn' eigen wil met gezag, Lazarus koomt uit Ca). Op andere tijden bcöeiïende Hij wel beftendig deeze dadelijke afhangclijkhcid , offchoon niet zoo kennelijk voor de toezieners. Gelijk bij de genezing van den Alelaatfchen, Matth. VIII: 3. De Mensch Jefus zeide: Ik wil, wordt gercinigt, cn aanllonds was het wonderwerk uitgcrigt Door de tusfehenkomst van Christus wil [volition] wierd een doode opgewekt, en de Melaatfche gercinigt, doch het was de Godlijke magt, die tegenwoordig was met den wil des Menfchen , om den zieken te genezen , cn den dooden optewekken, gelijk het wordt uitgedrukt, Luc.V: 17.

Zoo ook de Mensch Jefus nu verhoogd zijnde tot een meer oppermagtig foort van werking, om levendig te maken, dien hij wil, heeft een bijzonder aandeel in deeze Tijtels als een Vorst en Zaligmaker, in 't geven van de Bekeering en vergeeving der zonden (b) , uit hoofde, dat jjijn wil, als 't waare, daarin 't bewind voerd.

Hij

Ctf) 7*an. XI: 41, 43. (£) Hand. II: 31—33.

Sluiten