Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God en Mensch aangewezen, enz. 207

V. Zoo men al niet mogt toeflaan, dat Jefus als Mensch aan zijne verzogte Heiligen een kragtdadige onderfland en hulp kan toebrengen, is Hij nochthans zeker bekwaam om in *t bijzonder voor elk hunner te bidden. Uit deeze hoofde is het, dat van Hem getuigt wordt: Bat hijyolkomenlijk kan zalig maken alle de geenen, die doorhem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hun te bidden Ca). Nu kan men immers niet ondernellen, dat het eigenlijk en onmiddelijk de Goddelijke Natuur is, die voor ons in den Hemel bidf, of tusfchen fpreekt, maar de mensch Jefus, die ons een voorbeeld van zulk eene voorbede hier op Aarde heeft nagelaaten, Joiln. XVII. Schoon het de Godheid is, die deeze voorbede zoo algemeen kragtig en vermogerd maakt.

Ook kan men niet onderftellen, dat Christus voor alle zijne Heiligen enkel in 't gemeen bidt, zonder kennis van hnnne bijzondere Perfoonen , en van hunne tegenwoordige onderfcheide omflandigheden, want dit is niet meer dan elk Christen op aarde doet, of behoort te doen: wij alle behooren op deeze wijze voor alle de Heiligen te bidden, Eph. VI: ig. Schoon onze Voorbede die kragt niet heeft als de zijne, noch wij ook dezelvde kennis konnen hebben aan hunne nooden en behoeften.

Als ons gezegt wordt, dat ohze groote Ho> genpriester (wiens bijzonder ambt en werk in den Hemel beltaat in voor ons te bidden) de Ihemelen is doorgegaan, en dat Hij kan geraakt worden met het gevoel van onze zwakheden, nadien Hij ook, gelijk wij, is verzogt geweest;.

kon.

O) VII: 25.

Sluiten