Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*T4 Be Heerlijkheid van Christus, ah

lijk gelegen in te zijn, waar Christus is GOEn om te aanfehouwen zijne Heerlijkheid, welke de Vader Hem gegeven heeft. Te weten, de Heerlijkheid van zijne Menfchelijke Natuur, of ten minfle als de God Mensch (b). Nu zou het immers een gering, laag en vleesfchelijk denkbeeld van den ftaat des Hemels en der gelukzaligheid zijn, indien wij begreepen, dat de verzameling der Heiligen geen' naderen toegang tot Christus, en geen meer deelgenootfchap aan zijne Tegenwoordigheid, of Inzigt in zijne Heerlijkheid hadden, dan door enkel te woonen in dezelfde uitgebreide Gewesten des Hemels, en daar van verre te aaa* fchouwen een' Mensch, verheeven op eenen hoogen Troon, en in een'verren afftand, omWeed met grooten luister. Voor zeker de onmiddelijke tegenwoordigheid van den Mensch Jefus Christus, en de onmiddelijke gemeenfchap aan Hem, zal iet naauwers, innigers, en zaligers influiten, dan alleen Hem te aanfehouwen in zoo een' wijden afftand.

Zou men hier op zeggen, de vermogens van elk verheerlijkt Heiligen, zullen zoo verbaazend verhoogd en uitgebreid zijn, dat zij het gezegend Voorwerp volkoomen zullen zien en genieten, fchdtan in nog zulk een' wijden afftand? Dan hier opzou men met alzoo veel reden mogen weder zeggen: Dat de vermoogens van onzen Verheerlijkten Zaligmaaker nog veel meer zullen verhoogd zijn, om zich «elven en zijne Heerlijkheid mede te deelen aan de geringde Inwooners des Hemels, en in hunne?

(*) l. C&r V: «.

Sluiten