Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God en Mensch aangewezen, enz. 235

even zoo gemakkelijk konnen onderftellcn, dat eene menfchelijke ziel vereenigt, met een lighaam, bewustheid had van eenige zaak (welke dan ook ) tot welke zij haare iiraalen konde uitzenden of inhouden, 't zij dan vloeden, of ftofdeelen van haar eigen lighaam? Zou niet de Zon, bij voorbeeld, vereenigt zijnde met eene ziel, daardoor zulk een verheerlijkt zamengelteld lig haam konnen zijn, om elke ftraal, die zij uitfchoot te doen bezield gaan mee kennis, en om bewustheid te hebben van alles, werwaards zij haare iiraalen uitfehooc, of deed terug keeren? En zou dan niet de menfchelijke ziel van onzen lieer Jefus Christus bewustheid hebben van alles , werwaards Hij de llraaien zond van zijn eigen glansrijk en verheerlijkt lighaam ?

Om dit wonder nog te vergrooten , mogen wij veronderftelien , dat deeze iiraalen zoo fijn zouden konnen zijn, als magnéilfche vonken, die door koper en fteen zoo gemaklijk heen gaan , als het licht door onze glaazen. En dat ze tevens ter zelve tijd dezelvde Snelheid hadden als het licht, 't welk de allerverbazendfte atfianden of ruimtens van verfcheide millioenen mijlen in een minuut bereikt. Door dit middel (nadien het licht van de Zonne alle de verborgen vertrekken van ons halfrond op eens doordringt, en alle plaatfen vervult met regtuitgaandc cn terug kaatzende flraalen) indien alle deeze ftraalen zelfbewustheid bezaten, welk een foort van alweetend wazen zou dan niet de zon zijn ? Ik meen alweetend namelijk in deszelfs eigen omtrek. En waarom zou dan niet de menfchelijke ziel in het lighaam van onzen verheerlijkten Zaligmaker konnen voorzien zijn met zulk eene verbaazende uitgeflrektheid van

ken-

Sluiten