Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God en Mensch aangewezen, enz, 2§ï

en nog aanhoud zco veel voor ons te doen in den Hemel. Voorzeker is het in ons een zeer beftraffelijk gebrek » moedwillig nalaatig te zijn in eenig deel van die achting , toegenegenheid en liefde, welke den Man Christus Jefus tockoomt, en die Dit bij ons zoo wel veidiend heett door zijne verbaazende nederbuiging, door ■st ondergaan van zulke doqdehjke anglten, en door Zijne tegenwoordige uitgebreide zegeningen. Wij zouden niet ligtelijk iemand onzer Medefchepfeïen met zulk eene kleinachtinge behandelen , als wij veel te dikwijls den Zoon van God doen, die voor ons geftorven is, en nu verhoogd is in zijns Vaders troon, Openb, 111: 2.7. en )V: 21.

Het behaagde den Vader, dat al de volheid der Godheid lighaamelijk vroon en zou in den Man Jefus , dat 'er een verëeniging zou zijn tusfchen den Perfooq des Zoons van God , en de Menfchelijke Natuur, opdat diezelve natuur, welke een gedeelte uitmaakt van den Perfoon des Middelaars , ook alzo deelen zou in den Godlijken eerdienst, welke aan zijnen geheclen Perfoon toebehoort. En om de waarheid te zeggen , als wij in de eer, die wij aan Christus toebrengen, zijne Menfchelijke Natuur uitfluiten , dunkt mij, dat men naauweiijks zeggen kan, dat wij in een' eigenlijken zin, Hem die ëer toebrengen , waar toe de Vader Hem door deeze verëeniging gerechtigden bevoordert heeft. En men fchijnt ook zijn' geheiligden Perfoon te berooven 'van die bijzondere heerlijkheid, 'welke Hij van den Vader tot een gift en belooning op zijne diepe verneederingorttvaugen heeft: Want het is niet eigenlijk de Goddelijke Natuur, maar de Menfchelijke, welke die Verneede-

Sluiten