Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

♦152 De Heerlijkheid van Christus, als

dering ondergaan heeft, en daarom gerechttigc is tot den loon. Welken verheeven eerediensE wij derhalven aan de zuivere Godheid yan Christus toebrengen, indien wij niet tevens ook den Man jefus behoorlijk in 't oog houden, als vereenigt met zijne Godheid, dan fchijnen wij te verzuimen Hem die bijzondere eer toe te brengen, die Hem toeköomt, cn waar toe wij mogelijk de meeste voorfchriften en voorbeelden ontmoeten in 't Nieuwe Testament, te weeten de eer, die Hem toekoomt als GodMensch, en Middelaar.

Ir flaa toe, dat wij nimmer de Menfchelijke IS at uur van Christus ,in 't afgetrokken, en onderfcheiden van Zijne Godheid, tot het voorwerp van onze Godsdienfige aanbidding moogen ftellcn, want daar toe kan zij naar de regelen der fchriftuur geen eigenlijk noch geknikt voorwerp zijn. Noéhthans, terwijl wij onze Godsdieniïige Vereering rigten tot geheel zijnen geheiligden Perfoon, als God en Mensch tn als onzen Middelaar; dan behooren ook onze toenaderingen tot Hem bezielt te zijn met een geduurig opzigt op de voorgaande verneedering en lijdingen, en op de tegenwoordige Heerlijkheid en verhoogde kragten van de Menfchelijke Natuur. Dit is Hem te aanbidden volgens het patroon van aanbidding, 't welk ons ter navolging geboekftaaft is in de Schriftuur, Openb. 1:5,6' V: 9- en VII: 9 en 10.

Alle dc eer, die wij den Man Jefus toebrengen, moet altijd uitloopen op de Heerlijkheid van de inwoonende Godheid, en op de eer des Vaders. Nochthans moéten wij ons zelve befchouwen als altijd onder eene bijzondere verpligtir.g zijnde, om in 't bijzonder eer en liefde

toe-

Sluiten