Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

954 DeHeerl.van C., als G.piM.aangew., enz.

God in onze Natuur, dien, hoewel Hem nietgezieti hebbende, wij nochthans lief'hebben, en in wien, offchoon ook nü niet ziende, maar geloovende, wij ons verheugen. Dit zou ook ons verlangen opwekken naar dien tijd, wanneer onze twtjffclbaare en Onvolmaakte gisfingen aangaande zijne Heerlijkheid, Zullen opklaaren; wanneer wij Hem niet langer zullen zien door de donkerheid van eenen fpiegel, maar hem zien zullen, gelijk Hij is, en Hem aanfehouwen van aangezigt tot aangezigt. Wanneer het blijken zal, dat het eeuwig leeven in bezitting, zoo wel als de weg daartoe leidende, gelegen is in de kennis van den Eenen en TVaaragiigen God, en Jefus Christus, dien Hij gezonden heeft, Joh XVII: 3. Dan zal de Zoon van God zelf, en alle zijne Heiligen te zaamen zich verheugen in de vervullinge van die heerlijke taal zijner Hoogepriesterlijke voorbede ; Jodn. XVII: 24. Vader, lk wil, dat daar ik ben, ook bij mij zijn mogen, die gij mij gegeven hebt, op dat zij mijne Heerlijkheid mogen aanfehouwen , die gij mij gegeven hebt, En dit zal een groot deel van onzen Hemel en' Gelukzaligheid uitmaakeru Amen!

Sluiten